Een jumbo nadert de Westerkerk

Toen het vorige week zo stormde, liep ik op een dag over de Prinsengracht voorbij de Westerkerk. Mooie, trotse kerk. Ik kijk altijd even naar de toren als ik er van een afstandje langs loop. Staat-ie er nog op? Dan is alles goed.

Op die middag was de lucht gevuld met het bulderende lawaai van vliegtuigen. Als het stormt worden vliegroutes naar Schiphol verlegd naar het centrum van Amsterdam.

Dan vliegt er de hele dag om de paar minuten een toestel dreigend laag over het centrum van de stad.

Ik erger me niet zo gauw aan vliegtuiglawaai, op een of andere onbewuste manier slaag ik er meestal in het uit mijn gedachten te bannen. Misschien was de schok daarom des te groter toen ik, kijkend over de Prinsengracht, plotseling een jumbo op de Westerkerk zag afvliegen. Het toestel vloog zo gevaarlijk laag dat je het gevoel kreeg dat je het met een steen zou kunnen treffen. Ging hij niet de torenspits raken?

Mijn hart stond even stil. Maar nee, het was optisch bedrog geweest, het toestel vloog er in een licht dalende lijn overheen.

Ik bleef even aan de grond genageld staan terwijl ik de jumbo nakeek.

Noodlotsfantasieën staken bijna onvermijdelijk de kop op. Wat zou er gebeurd zijn als het vliegtuig de toren geraakt had en op deze plek, krioelend van menselijk leven, neergestort was? Een onbeschrijfelijke ramp.

Ik dacht ook aan de passagiers die, de seatbelts gefastend, elkaar hadden aangestoten terwijl ze naar dat knusse Amsterdamse centrum wezen.

Apart hè, die leuke huisjes aan de grachten, straks zouden ook zij daar lopen, in hun regencapes op weg naar En Frenk of naar het Red Light District.

Mijn fantasie werd geholpen door een roman die ik die dagen aan het lezen was: Rabbit rust, een boek uit 1990, deel 4 uit de Rabbit-cyclus van John Updike. We volgen daarin de twijfelachtige held Harry Angstrom (‘Rabbit’) op zijn moeilijk begaanbare levenspad. In dit deel is hij 55 jaar, een man met een hartkwaal die als de dood is voor de dood. Voortdurend ziet hij het einde op zich afkomen.

Wat hem vooral obsedeert is de vliegtuigramp boven het Schotse Lockerbie die zich dan – in 1988 – net heeft voltrokken. Hij ziet het allemaal voor zich.

„Stel je voor dat je daar in je stoel zit, half in slaap gesust door het gebrom van de grote Rolls-Royce-motoren, en de stewardessen die met het rinkelende drankwagentje langskomen, en het gevoel dat je het vliegtuig hebt gehaald en niets anders hoeft te doen dan je te ontspannen en dan, met een gebrul en een reusachtig scheurend geluid en gegil overal, valt dat hele genoeglijke wereldje weg en is er niets meer onder je dan de zwarte ruimte en je borst wordt samengeperst door de verschrikkelijke kou die niet te ademen is, een kou waarvan je nauwelijks kunt geloven dat hij bestaat […]”

Zo ongeveer zullen die dingen gaan. Updike is een knap schrijver en hij roept zo’n ramp op alsof hij er zelf ooit bij geweest is: een vliegtuig dat openbarst „als een rotte meloen”.

Ik ben een columnist en denk alvast aan de volgende fase. De lijken zijn geborgen, de black box is gevonden en een onderzoekscommissie wordt geformeerd.

De grote vraag zal zijn: waarom vliegen we uitgerekend bij slecht weer met zo’n hoge frequentie en zo laag over het drukste stadscentrum van Nederland?