Dit keer verlangde ik niet naar een woeste liefdesbrief

Gisteren was het Valentijn. Dat zal niemand ontgaan zijn, aangezien op Valentijn zelfs de accuklopboren bij de Praxis worden aangeprezen door harp spelende knuffelbeertjes die glimlachend tegen je zeggen: „Als je deze niet voor haar koopt, zal ze heel, heel erg teleurgesteld zijn!” Mijn Valentijnsdag werd al jaren gevierd door de komst van één enkele

Gisteren was het Valentijn. Dat zal niemand ontgaan zijn, aangezien op Valentijn zelfs de accuklopboren bij de Praxis worden aangeprezen door harp spelende knuffelbeertjes die glimlachend tegen je zeggen: „Als je deze niet voor haar koopt, zal ze heel, heel erg teleurgesteld zijn!”

Mijn Valentijnsdag werd al jaren gevierd door de komst van één enkele kaart: die van mijn opa. Versierd met geaquarelleerde rozen, katten of uitbundig gekleurde hartjes, was deze kaart de enige constante in mijn valentijnsleven.

En eigenlijk vond ik dat stiekem wat deprimerend. Niet dat ik de kaart of het gebaar niet waardeerde; ik vond het juist heel lief dat hij er elk jaar weer aan dacht. Maar zeg nou zelf: een valentijnskaart van je opa. Dat is nou niet bepaald opwindend.

Want hoewel Valentijn uiteraard een vrij gênant feest is waar mensen plotseling met plichtmatige bloemen aan komen zetten, een doos chocolade geven om ernstig te vertellen dat de ander het lichtste puntje aan de horizon is en voornamelijk hun liefde verklaren aan de V&D – het idee dat er zomaar een anonieme liefdesverklaring op de mat zou kunnen vallen, intrigeert me al jaren. Een epistel waar de hitte uit omhoogkruipt, een beduimeld kaartje waarop de angstzweetdruppels vlekken hebben gemaakt in het adres, een full HD LCD-tv 60 inch met een strikje erom op de stoep, gestuurd door die ene buurman die altijd zo naar chloroform ruikt: het leek mij wel wat.

Wellicht was deze valentijnbehoefte louter een overblijfsel uit mijn middelbare schooltijd. Daar werd Valentijn gevierd doordat klasgenoten bij de feestcommissie anoniem rozen konden bestellen die dan werden bezorgd in de klas, waar iedereen bij was. Oftewel: ergens op 14 februari zou er tijdens de les iemand binnen komen met een mandje rozen, op de briefjes kijken en zeggen: „Eén… nee, dríe rozen voor… Anna B.? En verder… nee, helaas, niets meer”, waarna er even met een valse grijns naar de rooslozen werd gekeken.

Uiteraard doe je op zulke momenten wat elk meisje zou doen: je koopt minimaal vijf rozen voor jezelf en terroriseert, onderdrukt en perst zoveel mogelijk andere mensen af om rozen voor jou te gaan kopen. Nu ik erover nadenk, benaderde deze sociale chantage eigenlijk vrij goed de essentie van Valentijnsdag.

Dit jaar was mijn Valentijn anders. Voor het eerst lag er ’s ochtends geen envelop op de mat. Mijn opa is in juli vorig jaar overleden. En dit keer verlangde ik niet naar een woeste liefdesbrief of een zinnelijke haiku, maar enkel naar zijn jaarlijkse valentijnskaartje, een kaartje met geaquarelleerde rozen, katten of uitbundig gekleurde hartjes en de tekst: ‘Liefs. Opa’.