De potloodventer is de eerste deze middag

Wie: Abdullah A. en Abdel M. (en anderen)

Staan terecht voor: schennis der eerbaarheid

Waar: rechtbank Amsterdam

Er zit patroon in de middag van politierechter Fred Salomon en officier van justitie Mirjam Vonk. Gedaagden komen niet opdagen. Dan voeren rechter en officier, bij verstek, een eenakter op.

Rechter kaart kwestie aan. Officier leest tenlastelegging voor. Rechter gaat in op details, stelt retorische vragen, oppert mogelijkheden. Officier formuleert eis. Rechter wijst vonnis. Vrijwel steeds conform eis. Daarin zit ook patroon.

Nog een terugkerend element vanmiddag: schennis der eerbaarheid. De eerste zaak betreft een ‘etaleur’ op station Hilversum Sportpark, rond middernacht, juni 2009. De niet-aanwezige verdachte is geen etalage-inrichter, zo stelt rechter Salomon tijdens zijn eenakter met de officier droogjes vast. Voordragend uit het dossier richt hij zich onbekommerd tot haar met woorden als „eikel”, „aftrekken” en „klaarkomen”. Ook zegt hij, namens de verdachte: „Normaal krijg ik mijn piemel niet stijf.” Het vonnis (werkstraf) is conform de eis.

In een vorig leven was mr. Salomon kinderrechter. Niet lang geleden stopte hij daarmee, uit frustratie over het gebrek aan nazorg voor de kinderen die hij voor zich kreeg. In zijn nieuwe functie heeft hij met een volwassen soort delinquentie te maken.

Twee, drie zaken na die van de Hilversumse potloodventer staat er alweer een geval van schennis der eerbaarheid op de rol, belichaamd door een aanwezige, ogenschijnlijk ontspannen verdachte. Zijn advocate vraagt de zaak aan te houden, opdat bepaalde getuigen kunnen worden gehoord.

Abdullah A. ontkent wel alvast op 13 mei 2010 in het Vondelpark zijn geslachtsdeel ontbloot te hebben. Probleem is dat hij bij het verhoor heeft bekend. Maar zelfs officier Vonk is opgevallen dat hij, wegens zijn gebrekkige beheersing van het Nederlands, in het gesprek met de rechter alles beaamt – ook wat niet waar kan zijn. Het gaat om waarheidsvinding, zegt ze en adviseert honorering van het verzoek. De rechter besluit conform haar advies.

Aan het einde van de middag kondigt hij de enige bezoeker op de publieke tribune „het hoogtepunt” aan, in zedelijk opzicht. Ook hij ziet een patroon.

Het gaat om een aanranding. De verdachte verandert subiet in de dader: hij zit nog niet of hij bekent alles. Op één detail na. Hij heeft niet gezegd: „Ik ga je pakken op de trap.” Verdachte is Abdel M., een gedrongen gestalte in een te groot suède jasje, lichtgetint, kale, glimmende schedel, mocassins. Verzorgd voorkomen. Vriendelijk gezicht. Timide. Bij zijn scheiding is hij zijn huis kwijtgeraakt. Geen strafblad. Geboren in 1958, in Suriname. Zachtjes stamelt hij: „Ik heb stomme... stomme... gedaan.”

Stomme dingen. Bij de zorginstelling waar hij werkte is hij, zelf geen roker, een 17-jarige stagiaire achterna gelopen naar de rokersruimte. Eenmaal daar alleen met haar vroeg hij: „Wil je mijn pik zien?” Zijn gulp was al open. Toen zei hij, althans volgens het dossier: „Ik ga je straks nemen op de trap.” Hij had haar vervolgens gezoend, eerst op de lippen, toen een tongzoen. En hij had haar hand om zijn penis gelegd.

„Dat is een hele mond vol, meneer”, zegt de rechter na het opsommen van de feiten. De verdachte: „Het is gebeurd dat ik mij heb laten gaan en het zover is gekomen.” De rechter: „Kunt u uw gedrag verklaren?” „Het is gegroeid, het is gegroeid naar beide kanten. De aanwezigheid van haar was aantrekkelijk voor mij. Ik heb haar handjes gepakt en toen heb ik haar een tongkusje gegeven, ja, een kusje, een tongkusje. Naar mijn gevoel was het gegroeid naar beide kanten.”

Dat gevoel was niet juist. Hij is ontslagen bij de zorginstelling waar hij met zoveel plezier werkte. Volgens het reclasseringsrapport is hij „sociaal zwak”, kampt hij „met een onvermogen om te gaan met gevoelens van lust” en maakt hij „een emotioneel kwetsbare indruk”. Zijn IQ is lager dan gemiddeld.

Hij knikt en zegt tegen de rechter: „Ik verdien straf. Ik sta open voor alles wat u wilt dat ik doe. U bent...” „De baas”, schiet rechter Salomon hem te hulp.

De verdachte heeft zich al, vrijwillig, gemeld bij een psycholoog. Officier Vonk wil rekening houden met zijn coöperatieve opstelling en het verlies van zijn baan: „Dat is zijn ergste straf.” Ze eist 90 uur werkstraf, waarvan de helft voorwaardelijk.

De rechter zegt: „Behalve betreurenswaardigs is er veel positiefs te melden.” De strafvordering vindt hij „redelijk én opmerkelijk, gezien de tijdgeest”. Hij vonnist prompt en voor de laatste keer deze middag conform de eis.

Officier Vonk geeft de vers veroordeelde een formulier, waarmee de werkstraf meteen geregeld kan worden. „Boter bij de vis”, zegt de rechter.