Crisis haalt bouwers onderuit

Na Midreth wankelt weer een bouwer: Heddes. Ze hebben last van kritische banken, wispelturige grondstofprijzen en minder orders. „Er kunnen meer bedrijven failliet gaan.”

De woede spat van de mededeling af. De Heddes Bouwgroep vraagt uitstel van betaling aan en dat komt door de bank, meldt de bouwer (325 werknemers) uit Hoorn.

De afgelopen twee jaar kreeg de bouwer last van de recessie. De omzet daalde van 195 miljoen euro in 2007 tot 115 miljoen in 2009. Heddes kreeg ook last van een nare affaire. Heddes had onder de rook van Schiphol een hotel gebouwd. De opdrachtgever betaalde niet en uiteindelijk kocht Heddes het hotel. Ook dat was geen succes. Het hotel ging failliet. De strop voor Heddes was 25 miljoen euro.

Heddes had daardoor in 2009 een extra lening nodig. In 2010, het jaar daarop, leed Heddes 16,5 miljoen euro verlies. Zeventig medewerkers werden ontslagen. Het bedrijf had een nieuw krediet nodig, maar Deutsche Bank ging niet akkoord. Genoeg was genoeg.

Wat Heddes nu meemaakt, speelde eerder bij Van Hoogevest uit Amersfoort, bij Hillen & Roosen uit Amsterdam en bij Midreth uit Mijdrecht, dat gisteren failliet verklaard werd.

De economie groeit weer, maar de crisis in de bouw woedt volop en daar hebben middelgrote bouwers het meeste last van. „De bouwproductie is schrikbarend laag”, zegt Henk Bergsma van het onderzoekscentrum Bureau Documentatie Bouwwezen.

De bouw is notoir laatcyclisch. Pas als de economie weer op volle toeren draait en het consumentenvertrouwen is hersteld, zal de vraag naar nieuwbouwwoningen stijgen. „Banken spelen ook een rol”, zegt Nico Rietdijk, directeur van de Nederlandse Vereniging voor Ontwikkelaars & Bouwondernemers. „Banken verstrekken minder makkelijk hypotheken. Er wordt dus minder gekocht. Ze geven ook minder snel kredieten aan bouwers voor projecten.” Recent onderzoek van De Nederlandsche Bank bevestigt dat banken inderdaad terughoudend zijn.

De grootste bouwers van het land zijn diverser en kunnen teren op de divisies die wegen, tunnels, viaducten en spoor aanleggen. Middelgrote bouwers moeten het vooral van de bouw van woningen, kantoren en een paar bijzondere projecten hebben, zegt Rietdijk. „Valt die woningbouw weg en duurt het nog heel lang voor een bedrijf geld krijgt voor bijzondere projecten, dan kan de kasstroom snel opdrogen”, zegt hij. Midreth, met het Ziggodome en het Stedelijk Museum in Amsterdam, is een goed voorbeeld, zegt Rietdijk. Het is volgens hem niet toevallig dat juist bouwers rond Amsterdam en Utrecht problemen hebben. „Daar is de markt voor kantoren en nieuwbouwwoningen relatief het hardst gedaald. Het is niet uitgesloten dan nog meer grotere bouwers dit jaar failliet gaan.”

Projecten die wel doorgaan, zijn fors duurder dan een jaar geleden. De prijzen van zand en grind nemen toe. Niet zozeer omdat die basisgrondstoffen schaars zijn, wel omdat ontginnings- en transportkosten blijven stijgen door duurdere brandstoffen. Ook kunststof is onderhevig aan de wispelturige prijzen op de markt voor ruwe olie. Voor staal is de verwachting dat de prijs dit jaar met 66 procent zal stijgen, vooral door de vraag in India en Rusland. Dat zou de tweede grootste hausse ooit zijn sinds 1940. Ook zink, koper, aluminium en lood zijn duurder geworden.

„Er is een een-op-een relatie tussen de waarde van basisgrondstoffen op de wereldmarkt en de prijsevolutie van bouwmaterialen”, zegt Ted Peek, die afgelopen zomer met Bergsma ook de invloed van valutakoersen op de branche bestudeerde. Zo kan de levering van 1.000 ton staal – een gemiddelde hoeveelheid voor een kantoorgebouw op een bouwoppervlakte van circa 40.000 vierkante meter – al gauw 10 procent duurder worden in euro’s als de huidige dollarkoers met 10 cent krimpt. „Er is jurisprudentie in Nederland die toelaat dat bouwbedrijven in dat geval hun prijzen kunnen verhogen bij de opdrachtgever, maar vaak zijn die prijsschommelingen niet voorspelbaar en de vraag is of ze wel voor de volle honderd procent vergoed worden,” aldus Peek.

Een substantieel deel van de directe bouwkosten is onderhevig aan de van de wereldhandel afhankelijke prijsevolutie van basisgrondstoffen, concluderen Bergsma en Peek. Bij de bouw van woningen en kantoren kan dit tussen de 3 en 20 procent van de totale bouwprijs zijn. Bij grond-, weg- en waterbouw ligt het percentage tussen de 10 en 15 procent. „Dit is een belangrijke risicofactor bij het opstellen van de budgetten.”

Als de vraag naar nieuw projecten daalt, schuiven grotere aannemers ook op het terrein van de kleinere bouwbedrijven.