Beroerder kan het eigenlijk niet

Het CDA is in paniek vlak voor de Statenverkiezingen.

De partij heeft voor 2 maart geen herkenbaar verhaal. Een maand later wordt de nieuwe voorzitter bekendgemaakt.

Het vacuüm. Vraag CDA’ers naar de toekomst van hun partij en ze vertellen onmiddellijk wat de grootste problemen zijn: het gebrek aan een partijleider, het ontbreken van inhoudelijke sturing, het pregnante machtsvacuüm.

Hoe voert een politieke partij campagne zonder duidelijke leider, zonder heldere eigen boodschap? Met ruim twee weken te gaan voor de Provinciale Statenverkiezingen op woensdag 2 maart is de vraag hoe het CDA ervoor staat. Gesprekken binnen alle geledingen van de partij leveren een beeld op van het CDA dat voortploetert. Het ziet er, simpel gezegd, niet goed uit. „Wij zijn een partij in verwarring. Geen leider, geen visie.”

Eerst hoe het was. Het CDA heeft een rotjaar achter de rug. Bij de landelijke verkiezingen, afgelopen zomer, leden de christen-democraten de zwaarste nederlaag in hun geschiedenis. Van de grootste partij met 41 zetels naar de vierde partij van het land (ná VVD, PvdA en PVV) met 21 zetels. Binnen de van oudsher zo degelijke bestuurderspartij ontstond serieuze crisis toen Maxime Verhagen over regeringsdeelname ging praten met VVD en PVV. Eenderde van de achterban sprak zich uit tegen samenwerking met Wilders. „In het CDA zijn mensen daardoor echt beschadigd. Gewond geraakt. We wantrouwden elkaars motieven. Dat is ongekend voor het CDA.”

De vooruitzichten zijn slecht. In recente peilingen zakt het CDA verder weg. De vraag is hoeveel van de huidige 21 zetels in de Eerste Kamer het CDA na de verkiezingen overhoudt. Zelf kiezen de CDA’ers voor de nederlaagstrategie. Zo zei vicepremier Verhagen dat hij op tien zetels rekent in de senaat. Een Kamerlid: „We moeten niet verwachten bij de verkiezingen een enorm positieve uitslag te zullen zien.”

Maar denk niet dat een nieuwe klap opnieuw voor een golf van vertrekkers zal zorgen. „Hoe slecht de uitslag ook is, er zal geen kop meer rollen.”

Ondertussen voert de partij natuurlijk wel campagne; het CDA moet zich profileren. In de verkiezingstijd worden bepaalde bewindspersonen nadrukkelijk naar voren geschoven. Jan Kees de Jager bijvoorbeeld, minister van Financiën en in de opiniepeilingen de populairste en meest betrouwbare CDA-minister. Marja van Bijsterveldt, minister van Onderwijs en voormalig partijvoorzitter. Zij straalt CDA-degelijkheid uit. Staatssecretaris Henk Bleker van Landbouw, de flegmatieke Groninger die tijdens de formatieperiode als interim-partijvoorzitter landelijke bekendheid verwierf door zijn vele mediaoptredens.

Maar wie is toch de CDA-leider die de kiezers moet teruglokken en intern de verdeeldheid moet omzetten in eensgezindheid?

Maxime Verhagen, die zijn partij het kabinet in heeft geloodst, is te omstreden en te weinig populair bij potentiële kiezers om die rol op te eisen. En doet dat dus ook niet. Fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma staat sinds november aan het hoofd van een zoekende en weinig zichtbare Tweede Kamerfractie – hijzelf is ook geen ster. Neem het aantal voorkeurstemmen dat de jurist uit Voorburg kreeg: 850. Fractiegenoten zeggen naar buiten toe vergoelijkend dat hij nog moet groeien. Maar intern neemt het ongeduld toe. Vernieuwen is ook niet makkelijk met een fractie met maar twee nieuwelingen.

Voorheen was het devies: stilzitten en afwachten. „Een partijleider? Die staat vanzelf wel op”, zeiden prominenten. Inmiddels erkennen de CDA’ers, in achtergrondgesprekken, hoe belangrijk het is dat de partij één gezicht krijgt, in plaats van verschillende.

Daarmee komt de partijvoorzitter in zicht. Traditioneel is hij de voorman van de partij als organisatie, hij organiseert het CDA, is eindverantwoordelijk voor de ledenadministratie, kandidatenlijsten en het verkiezingsprogramma. Vanwege het vacuüm zal de nieuwe partijvoorzitter een nog belangrijkere rol spelen in de partij dan voorheen. CDA’ers kijken reikhalzend uit naar zijn – of haar – komst en dichten hem nu al een partijleiderachtige status toe.

De vorige partijvoorzitter, Peter van Heeswijk, ging na de verkiezingen weg. Acht tumultueuze maanden geleden. Zijn opvolger had allang benoemd moeten zijn, maar de procedure heeft vertraging opgelopen. De twee kandidaten die er aanvankelijk waren, de prominenten Wim Deetman en Ferdinand Grapperhaus, kregen op het laatste moment te horen dat zij het tegen elkaar moesten opnemen – de leden moesten wat te kiezen hebben, vond het partijbestuur – en trokken zich terug. Een interne verkiezingsstrijd binnen een verdeelde partij was hun eer te na.

Intern mopperen CDA’ers over de open sollicitatieprocedure die als gevolg van dat echec nu in gang is gezet. „Een noodgreep”, zeggen zij. Zij vrezen dat dit niet de beste man of vrouw oplevert. „In deze moeilijke fase voor het CDA was er niets mis mee geweest om een zwaargewicht als Deetman voor te dragen”, zegt een van hen. „Nu is het maar de vraag wie we krijgen.”

Op 2 april, exact een maand na de verkiezingen, wordt bekend wie de nieuwe partijvoorzitter is. Interne discussies over waar het CDA voor staat zijn tot die tijd doorgeschoven. Even geen onrust, is het idee. Zo werd onlangs bekend hoe het met een intern discussiestuk van Piet Hein Donner (minister van Binnenlandse Zaken) verliep. Hij schreef het tien pagina’s tellende stuk dat een aanzet had kunnen zijn voor een nieuwe koers al in het najaar, maar vier maanden later is het volgens sommigen nog steeds niet uitputtend in de partijtop besproken. Waarom niet? De mate waarin de prominenten elkaar tegenspreken over de achterliggende reden is veelzeggend.

Het gevolg is dat de partij de verkiezingen ingaat zonder een aansprekend gezicht en zonder een herkenbaar verhaal. „Het kan niet beroerder”, vat de een samen. „En zelfs dan zijn we zo laconiek”, zegt een ander. „We gaan er allemaal van uit dat het niet slechter kan.” Maar: „Voor als dat wel het geval is hebben we geen noodscenario’s achter de hand.”