Postduiven van deze eeuw

Kondigen sociale media nieuwe revoluties sneller aan, zoals wel wordt beweerd?

Historici stellen dat revoluties tóch wel ontstaan, al gaat het nu wat spontaner.

Massaal protest tegen de Sjah in Iran (toen: Perzië). Teheran, 15 januari 1979. Foto AP
Massaal protest tegen de Sjah in Iran (toen: Perzië). Teheran, 15 januari 1979. Foto AP

Mensen raken niet uitgesproken over de revolutionaire kracht van sociale media. Niet uitgetwitterd ook, trouwens. Facebook, YouTube; het zouden technologieën zijn die beter dan ooit volkswoede weten te kanaliseren en mobiliseren – en die zo zelfs voor de meest starre regimes een bedreiging vormen. Kijk maar naar de Egyptische president Mubarak, die afgelopen vrijdag, na dertig jaar, ten val kwam. De betogers in Egypte maakten veel gebruik van sociale media, vooral Facebook.

James Carroll, een invloedrijke columnist van de Boston Globe, schreef vorige week woensdag op zijn blog dat Facebook, YouTube en Twitter „meer zijn dan een vooruitgang op het informatietechnologiegebied [...]. Het sociale netwerk overstijgt de macht van regeringen volledig – en is op zichzelf revolutionair.” Misschien luidt de komst van sociale media wel een tijdperk in van revoluties, denken sommige voorstanders.

Toch kun je daar bedenkingen bij hebben. Emeritus hoogleraar vaderlandse geschiedenis Jan Bank, die een bijzondere interesse heeft voor revoluties en opstanden, zegt: „Over Twitter werden vanaf het begin de meest fantastische voorspellingen gedaan. Maar dat gaat wel weer over.”

Als je naar de meest recente ‘revoluties’ kijkt waarbij sociale media een rol speelden, kom je tot opvallende conclusies. Geen van alle zijn ze namelijk echt succesvol te noemen. De twitteraars van Iran konden in 2009 niet op tegen de ouderwetse wapenstokken van de Baseej, de paramilitaire vrijwilligersmacht. In Egypte is Mubarak nu wel weg, maar hoeveel zal er bij het oude blijven? En in Tunesië is president Ben Ali dan verdreven, maar de rest van zijn regime zit er nog.

In feite zijn de ‘Twitter-’ en ‘Facebookrevoluties’ niet te beschouwen als revoluties. De bestormers van de Bastille tijdens de Franse Revolutie in 1789, die het zonder Blackberry’s moesten doen, waren succesvoller.

Opstanden en revoluties laten zich moeilijk vergelijken. Maar vaststaat dat technologie altijd een rol speelt, hoe primitief die technologie ook is. Van bijna alle communicatiemiddelen die bij revoluties zijn gebruikt werd wel beweerd dat hun revolutionaire kracht ongeëvenaard was. Toen Joseph Estrada, de Filippijnse oud-president, in 2001 op tv werd beschuldigd van corruptie, kwam het binnen enkele uren tot een massaopstand in Manila. Met dank aan sms, zeiden de Filippijnen, want daarmee hadden ze elkaar massaal aangespoord om de straat op te gaan.

Bij de Iraanse revolutie in 1979 werden cassettebandjes gebruikt. De Chinese opstand op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 wordt wel de Faxrevolutie genoemd, omdat de betogers elkaar via dit apparaat op de hoogte hielden. Tijdens de anticommunistische revoluties in Oost-Europa aan het eind van de jaren tachtig waren radio (Radio Free Europe, Voice of America) en televisie het geheime medium van de actievoerders.

De Russische revolutionairen gebruikten begin vorige eeuw pamfletten en vlugschriften. Nog verder terug: de Prins van Oranje – zelf een niet onverdienstelijk duivenhouder – gebruikte in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tijdens het beleg van Leiden duivenpost om de stedelingen moed in te spreken.

Zo bezien heeft elke revolutie zijn eigen Twitter. Het punt is, zegt Jan Bank, dat technologieën eigenlijk nooit meer zijn dan een vehikel van revolutionaire krachten. „Facebook en YouTube zijn geleiders, net zoals andere communicatiemiddelen dat vroeger waren.” Uiteindelijk gaan mensen niet de straat op door sociale media, maar omdat ze boos zijn, honger lijden of genoeg hebben van de onderdrukking. Sociale media zijn slechts de boodschappers, de stencilmachines van nu.

Natuurlijk hebben die nieuwe middelen wel veel voordelen ten opzichte van de oude. „Met Twitter bereik je meer mensen in een kortere tijd”, zegt Bank. „De boodschap wordt niet één op één verspreid, maar één op honderd.”

Marjolein ’t Hart, hoofddocent Economische en Sociale Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en eveneens in opstanden en revoluties gespecialiseerd, zegt: „Vroeger verspreidde revolutionair gedachtegoed zich vooral via persoonlijke contacten, maar omdat de afstanden groot waren ging dat langzaam. De verspreidingsgebieden waren door fysieke beperkingen kleiner. ”

Maar de huidige technologie is ook kwetsbaar. Bank: „Internet en mobiele telefonie kun je zo uit de lucht halen.” Met een postduif is dat toch moeilijker. En op internet kunnen autoriteiten meekijken en geheime diensten kunnen infiltreren. „Er is veel minder geheimhouding. Revoluties gingen vroeger meer via geheime cellen, die daardoor lastig op te breken zijn.” Voor de gebruikers van Facebook zijn er grote risico’s: als iets eenmaal op het net staat, verdwijnt dat nooit meer. Regimes kunnen opposanten na een mislukte opstand of revolutie op basis van internet vervolgen, wat in Iran ook gebeurde.

Evgeny Morozov, een Wit-Russische blogger en auteur van het boek The Net Delusion, How Not To Liberate The World (2010), schrijft in het tijdschrift Dissent in de herfst van 2009 dat „een Twitterrevolutie alleen mogelijk is [...] als het staatsapparaat totaal onwetend is van het internet en er zelf niets mee doet.” Maar juist het tegenovergestelde is het geval. Steeds meer regimes gebruiken internet om dissidenten aan te pakken.

Er is ook ruis. Via Twitter en Facebook wordt zoveel informatie verspreid, die ook niet altijd even juist is, dat het soms volstrekt onduidelijk is wat er gebeurt. Morozov zegt in zijn opiniestuk in Dissent: „In werkelijkheid lijkt het nieuwe media-ecosysteem veel op dat van het telefoontijdperk. In het proces van informatie doorgeven stapelen de fouten zich op, waardoor de uiteindelijke boodschap nog maar weinig lijkt op het origineel.” Alleen zijn er bij sociale media meer ‘doorgevers’ in de keten.

Dat is een groot verschil met bijvoorbeeld de revoluties in Oost-Europa. Aan de berichten die de BBC destijds de ether in stuurde en op basis waarvan betogers en de wereld zich informeerden ging een complete militaire operatie vooraf. Daardoor waren die berichten meestal correct.

Het belangrijkste verschil is echter, concludeert ’t Hart, de mate van organisatie. „Het gaat veel spontaner nu. In Polen had je de vakbond Solidarnosc (Solidariteit), die de revolutie van begin tot einde aanstuurde. Dat was een traditionele opstand.” In 2009 in Moldavië was er grote onvrede bij de ‘Twitter-revolutionairen’, „maar er was ook weinig sturing, waardoor niemand wist waar het heen moest”, aldus ’t Hart.

Ook Bank bevestigt dat. „In Egypte was alles veel minder georganiseerd. Mensen weten daardoor niet zo goed meer wanneer ze moeten stoppen.”