Op campagne in de motregen

Verkiezingscampagne voeren is minder romantisch dan het lijkt, het is soms zelfs ronduit ondankbaar werk, al zal geen politicus dat openlijk toegeven.

Zaterdag zag ik Job Cohen door de Kanaalstraat in de Utrechtse wijk Lombok struinen, omgeven door een groep in rode PvdA-jacks gehulde vrijwilligers die flyers en rozen uitdeelden. Het motregende licht en de schemer begon te vallen. De Kanaalstraat is dé winkelstraat van deze door allochtonen gedomineerde buurt. Uit electoraal oogpunt een belangrijk gebied voor de PvdA, maar daar viel weinig van te merken.

Het winkelende publiek was door de PvdA nauwelijks voorbereid op het bezoek en bleef dus doen waarvoor het gekomen was: winkelen. Er waren maar weinig allochtonen die een praatje met Cohen kwamen maken, velen leken hem zelfs niet eens op te merken.

Cohen deed zijn best, hij dook af en toe een eethuis of winkel binnen, hij krabbelde met een kleurkrijtje op straat („op 2 maart stemmen!”), maar verder viel er voor hem weinig te winnen.

Een stokoude, zeer autochtone Nederlandse vrouw achter een rollator had hem wél opgemerkt.

„We moeten weer stemmen’”, zei ze met een lachje tegen mij.

„U heeft Cohen gezien?” vroeg ik.

„Jazeker”, zei ze, en ze aarzelde even, „vroeger had je Den Uyl.”

„Heeft u een voorkeur?”

„Ach meneer”, zei ze, „of je nou door de hond of door de kat gebeten wordt…”

Even verderop was Cohen na een half uurtje drentelen alweer in een auto gestapt. Hij moest naar een adres dicht in de buurt: het gebouw van de Koninklijke Nederlandse Munt. Daar wachtte hem een warm onthaal in eigen kring: een honderdtal partijgetrouwen die met hem, Marleen Barth (lijsttrekker Eerste Kamer), Jacques Monasch (Tweede Kamer) en enkele regionale coryfeeën over de voor jonge mensen zo moeilijk toegankelijke woningmarkt praatten. Een belangrijk onderwerp waarover de PvdA nieuwe ideeën heeft ontwikkeld, maar hoe krijg je ze over het voetlicht? In dat zaaltje lukte het wel, maar het bleef preken voor eigen parochie. Cohen leek zich in zijn element te voelen, hij praatte moeiteloos een kwartier lang zonder papier. Hij gedijt kennelijk als hij niet voortdurend door agressieve concurrenten op zijn huid wordt gezeten. Hij noemde hen ook amper, behalve Wilders die een veeg uit de pan kreeg voor zijn gedrag in het jongste cartoonrelletje: de spotprent op Joop.nl. „Zo staat hij tegenover de vrijheid”, zei Cohen, „op de bres voor bepaalde cartoons, maar als hij in de eigen onderbuik geraakt wordt, gaat hij meteen verbieden.”

In zo’n zaaltje vol geestverwanten wordt optimisme al snel een artikel dat gretig aftrek vindt. Ik had dat al eens eerder meegemaakt, toevallig ook in Utrecht, maar toen nog met Ad Melkert in de hoofdrol, kort voor de finale politieke afrekening met hem. Nu zei Bert de Vries, lijsttrekker van de PvdA-Utrecht voor de provinciale verkiezingen: „We komen tijdens de campagne op straat veel minder agressie tegen dan vier en acht jaar geleden. Dat is een goed teken met het oog op de naderende verkiezingen.”

Is het wel zo’n goed teken of is de agressie vervangen door onverschilligheid?

De volgende dag hoor ik Cohen in het verkiezingsdebat op Radio 1. Hij moet ‘zijn’ woningmarkt in een halve minuut persen. Ondankbaar werk dus.