In gelukzalige staat van onvrijheid

De dystopische toekomst-roman rukt weer op.

Jevgeni Zamjatins sf-klassieker Wij uit 1921 inspireerde George Orwell, maar ook huidige sf-auteurs.

Een buitenaards ruimteschip hangt boven Johannesburg in de film District 9 uit 2009. Scene uit de film District 9 (2009) Foto: Sony Pictures Releasing UFO's ruimteschepen
Een buitenaards ruimteschip hangt boven Johannesburg in de film District 9 uit 2009. Scene uit de film District 9 (2009) Foto: Sony Pictures Releasing UFO's ruimteschepen

Het is nog maar enkele jaren geleden dat er gevreesd werd voor de teloorgang van sciencefiction. Wetenschap en techniek zouden in de 21ste eeuw te complex en abstract zijn en te veel uitleg behoeven voor een leesbaar toekomstverhaal. De behoefte aan speculatieve toekomstavonturen zou bovendien ruimschoots bevredigd worden door games en films. En ook zouden alle interessante anti-utopische gedachtenexperimenten zijn opgebruikt. Daarnaast is een fictieve totalitaire eenheidsstaat zoals wij die kennen uit George Orwells Nineteen Eighty-Four (1949) sinds de val van de Berlijnse Muur goedbeschouwd een achterhaald staatsmodel. Dit model had Orwell niet zelf bedacht, maar vermoedelijk direct ontleend aan de ommuurde, van bovenaf gecontroleerde technocratische ‘Vereende Staat’ uit Wij van de Russische auteur Jevgeni Zamjatin (1884-1937). Zamjatin schreef zijn boek, dat nu is heruitgegeven, in 1921, kort na de Russische Revolutie.

Wij en Nineteen Eighty-Four mogen dan hun actualiteitswaarde verloren hebben, het blijven interessante werken die laten zien hoe volslagen anders onze westerse wereld geworden is. Het grootste verschil is misschien wel dat het volk – met WikiLeaks als ultiem voorbeeld – nu net zo goed zelf Big Brother is als de overheid. Wat is er nog geheim? Wie heeft de macht over wie? Dankzij internet zijn de informatiestromen nu onbeheersbaar en dus oncontroleerbaar. De ooit zo gevreesde orde uit Wij en Nineteen Eighty-Four heeft plaatsgemaakt voor wanorde. Wij verkeren eerder in ‘de woeste staat van vrijheid’ zoals ‘de verre voorvaderen’ uit Wij, dan in Zamjatins geschetste gelukzalige staat van onvrijheid.

De jaren negentig bevestigden de onbruikbaarheid van Zamjatins en Orwells totalitarisme. De tijdgeest was optimistisch en er was geen voedingsbodem voor onheilspellende toekomstvisies. Maar na 9/11 dienden zich opnieuw morele vraagstukken aan. Lezers zijn weer toekomstgericht. Zeker nu de globaliserende gevolgen van de derde (digitale) industriële revolutie steeds sneller zicht-en tastbaar worden, en klimatologische veranderingen en uitputting van de aarde schaarste en ander onheil voorspellen. Waar brengen al deze ontwikkelingen ons heen? Wat als WikiLeaks een averechts effect heeft dat ons leidt tot minder openheid? Wat als schaarste (honger) ons tot onderwerping dwingt?

Antwoorden op deze vragen liggen besloten in (vaak sombere) gedachte-experimenten en speculatieve ideeën: het zaad waaruit toekomstverhalen ontstaan. De door nanotechnologie gegrepen twitterende tijdgeest en de met vuistdikke boeken opgegroeide Harry Pottergeneratie dwingen de tovenaars, elfen en draken aldus tot terugtrekken: de dystopische toekomstroman rukt op.

Opvallend en tegen genoemde verwachtingen in zijn veel van die toekomstverhalen nog steeds schatplichtig aan sciencefictionpionier Zamjatin en oude bekenden als Orwell (over de totalitaire staat) en Mary Shelley (de schijnvervolmaking van de mens in de stijl van Frankenstein). Veel van die nieuwe dystopische visioenen zijn thrillerachtige verhalen die gebaseerd zijn op uit de hand gelopen genetische modificatie, of toekomstgerichte ecothrillers: niet zozeer geïnspireerd op mogelijk desastreuze gevolgen van het heilige geloof in de technische vooruitgang, maar op het realistische idee van schaarste en de evolutionaire vraag of wij in staat zijn ons aan te passen.

Misschien munten de nieuwe toekomstverhalen niet uit in oorspronkelijkheid. Maar maakt dat ze minder goed? Ook Orwell was kennelijk minder origineel dan vaak wordt gedacht. En van zijn inspiratiebron Zamjatin is bekend dat Alexander Poesjkin en Fjodor Dostojevski hem op hun beurt bezielden.

Poesjkins eigen interpretatie van de mythe van de kunstmatige wording van Sint-Petersburg in De bronzen ruiter (1833) confronteerde Zamjatin met de disbalans tussen het belang van de staat en van het individu. De monoloog van de grootinquisiteur uit Dostojevski’s De gebroeders Karamazov (1880), die tegenover Jezus de principes van de duivel – geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld – uit naam van de Katholieke Kerk verdedigt, inspireerde Zamjatin tot een soortgelijk betoog van de almachtige Weldoener uit Wij: ‘Waarover hebben de mensen – van hun wieg af – gebeden, gefantaseerd, hun hersens gepijnigd’, vraagt hij Zamjatins protagonist D-503, die op dat moment moet kiezen tussen luisteren naar zijn collectivistische geweten of zijn ziel, waarin de vrije wil is ontkiemd door zijn liefde voor een vrouwelijke revolutionair. ‘Dat iemand hun eens en voor altijd mocht zeggen wat het geluk eigenlijk was, en hun vervolgens aan dat geluk mocht vastketenen. Wat doen wij tegenwoordig immers anders dan dat? De oude droom van het paradijs.’

Inderdaad, de inwoners van de ‘Vereende Staat’ zijn ‘opnieuw eenvoudig van geest, onnozel als Adam en Eva’, terwijl wij het paradijs hebben verruild voor de vrije wil: de vraag hoe individuele en collectieve vrijheid en geluk zich tot elkaar verhouden en in hoeverre de rede met een probleemoplossende formule kan komen is een universele. Belangrijker dan originaliteit is dat het toekomstbeeld in een sciencefictionroman overtuigend moet wortelen in de werkelijkheid.

Iemand als Cory Doctorow heeft dat goed begrepen. Hij is geen groot stilist, maar de manier waarop in Little Brother (2008) de Verenigde Staten na een terroristische aanslag in een spionerende politiestaat veranderen, waarna de hoofdpersoon (die ten onrechte als terrorist is opgepakt) een digitale tegenbeweging ontketent, is anno 2011 volstrekt invoelbaar. Zo’n voortdurende relevante dialoog tussen heden en toekomst en vice versa zou de basis van iedere sciencefiction moeten zijn.

Zamjatins Wij is – meer nog dan Nineteen Eighty-Four, dat de ontwikkelingen van het heden eerder bevestigde dan dat het de toekomst voorzag – in alle opzichten een angstaanjagend direct product van zijn tijd. Het had alleen tóén geschreven kunnen worden en het wilde tonen dat het totalitaire regime van de Sovjet-Unie in wording nooit zou werken in de toekomst. Niet voor niets was het boek tot 1988 verboden in Rusland en werd Zamjatin, die in Wij het idee van ‘de laatste revolutie’ afwijst, als staatsbedreiging gezien, waarna Stalin hem op eigen verzoek in 1931 de verbazingwekkende permissie gaf te emigreren.

Dat Wij – gesitueerd rond het jaar 3000 – zijn eigen tijd heeft overleefd komt door de zeldzame kwaliteiten van zijn schepper, die niet schroomde zijn dichterlijke talent te gebruiken. In tegenstelling tot zijn protagonist, een bouwkundige die moet toezien op de voltooiing van een ruimteschip en ‘niet bij machte is melodieën te scheppen van assonanties en rijmen’, wist de scheepsbouwkundige Zamjatin zijn wiskundig en technisch inzicht en gevoel voor poëzie perfect te combineren: in het fragmentarisch opgetekende dagboek van D-503 wisselen wiskundige geluksformules, machinale metaforen, verboden verontrustende dromen, sceptische observaties en beelden in amber, groen en diepblauw van ‘de onbekende, overmuurse wereld’ elkaar op onvergetelijke wijze af. Zó schrijf je dus literaire, echte sciencefiction: de (her)druk van Wij is precies op het juiste moment verschenen.

Jevgeni Zamjatin: Wij. Vert. uit het Russisch en van een nawoord voorzien door Dick Peet. Atlas, 187 blz. €18,95