De rek raakt een beetje uit de groei

Morgen weten we officieel hoe welvarender we vorig jaar zijn geworden. Dan maakt het Centraal Bureau voor de Statistiek de economische groei over het vierde kwartaal van 2010 bekend, en daarmee meteen ook de groei over het hele jaar.

Hoe het de economie in het vierde kwartaal is vergaan is lastig te voorspellen, maar over het hele jaar zal er een groei van rond 1,7 procent uit komen – misschien ietsje meer. De traagheid van de cijfers, als je het natuurkundig zou willen kenschetsen, garandeert dat min of meer.

Maar wat weten we dan eigenlijk? Welvaart staat bij de berekening van het ‘bruto binnenlands product’ (bbp) in wezen gelijk aan het gezamenlijke inkomen, of de gezamenlijke bestedingen of de gezamenlijke productie binnen de landgrenzen.

Welke van deze drie ook: uiteindelijk moeten ze, met wat haken en ogen, gelijk zijn aan elkaar. En als de optelsom, gecorrigeerd voor inflatie, is toegenomen, dan zijn we kennelijk beter af.

Het is nog niet zo heel lang geleden dat we dit überhaupt niet wisten. Pas in 1934 formuleerde de econoom Simon Smith Kuznets – een naar Amerika geëmigeerde Oekraïner – het bruto nationaal product.

Daarvóór tastten beleidsmakers, ondernemers en burgers min of meer in het duister over hoe het de economie precies verging.

Zoals Wall Street nu heftig kan reageren op de economische groeicijfers voor de VS, gingen de aandelenkoersen in de jaren twintig op en neer op basis van de zogenoemde ‘blast furnace index’, een anekdotisch cijfer dat aangaf hoe groot de productie van de staalindustrie was geweest.

De laatste jaren groeit de kritiek op het bbp, omdat het een cynische benadering zou zijn van het begrip ‘welvaart’ – iets waar Kuznets zelf destijds als eerste voor waarschuwde.

De enorme brand in de Moerdijk van vorige maand is bijvoorbeeld uitstekend voor de economische groei. Er moet worden opgeruimd en hersteld, en dat zijn allemaal economische activiteiten die positief meetellen. Auto-ongeluk? Goed voor de economie, zoals ook een gifpolder dat is.

Maar zijn er alternatieven? Er is het bruto nationaal geluk, een aan voormalig koning Jigme Singye Wangchuk van het Himalayastaatje Bhutan toegeschreven maatstaf, waar inmiddels met Nederlands ontwikkelingsgeld een paar conferenties tegenaan zijn gegooid.

Het is misschien een goede poging, maar wel bedacht door de verlichte despoot van een land dat ondanks het opgeven van de absolute monarchie in 2008, op een best lage 102-de plek staat op de democratie-ranglijst van The Economist – vlak achter Cambodja.

De Franse president Sarkozy pakte het drie jaar geleden grootser aan en gaf aan Nobelprijswinnaars Joseph Stiglitz, Amartya Sen en de Franse econoom Jean-Paul Fitoussi opdracht maatstaven in kaart te brengen die verder gingen dan de optelsom van het bruto binnenlands product.

Deze ‘Commissie inzake de meting van economische prestaties en sociale vooruitgang’ publiceerde vorig jaar een rapport met als voornaamste aanbeveling een dashboard met gegevens over de kwaliteit van leven, de impact van activiteiten op het milieu, de uitputting van grondstoffen, en dergelijke.

Sindsdien worstelen economen vooral met de vraag of dit soort maatstaven in een soort bbp 2.0 moeten worden ondergebracht, of naast het bbp moeten worden gepubliceerd.

Voor de duidelijkheid lijkt die tweede keuze vooralsnog beter. Zolang das Fressen in het grootste deel van de wereld nog eerder komt dan die Moral, is het misschien beter om ze nog even uit elkaar te houden.

Maarten Schinkel