Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Voor Obama beginnen de problemen nu pas echt

Na gisteren is de Egyptische crisis een bijna onoplosbaar binnenlands probleem voor de Amerikaanse president Barack Obama geworden.

De val van Mubarak heeft minimaal twee ongemakkelijke consequenties voor de VS. Door het vertrek van de Egyptische president – en mogelijk ook diens secondant Omar Suleiman – verloor Amerika gisteren zijn voornaamste bondgenoot in de Oorlog tegen Terreur. Binnen de VS zal het debat nu snel verschuiven naar Israël: houdt de regering-Obama wel genoeg rekening met de veiligheid van de Joodse staat?

Uit de reactie van Obama bleek gisteravond dat hij nu een bescheiden rol voor zichzelf ziet weggelegd. Obama, bondgenoot van de gehate Mubarak, prees de Egyptische demonstranten uitvoerig voor hun geweldloosheid en wilskracht. Hij trok een voorzichtige vergelijking met de val van de Muur, en presenteerde zijn regering als „vriend en partner” van de demonstranten. „Deze dag is van het Egyptische volk.”

Het wil natuurlijk niet zeggen dat de Egyptische crisis nu van de Amerikaanse agenda verdwijnt. De immense belangstelling voor de crisis – alle kabelzenders rapporteerden wekenlang bijna fulltime uit Kairo – is voor een belangrijk deel te verklaren met de Amerikaanse solidariteit met Israël. En Israël is binnenlandse politiek in de VS. Obama ondervond dat toen hij kort na zijn aantreden een confrontatie met premier Netanyahu had over de Israëlische bouw in bezet gebied. Hij eiste bevriezing van de bouw in nederzettingen. Maar de kritiek in eigen land was zo hevig, ook in zijn partij, dat Obama zich stilletjes gewonnen gaf.

Het geeft de bandbreedte aan waarbinnen de Amerikaanse regering de komende periode moet opereren. In zijn dertig jaar als president leefde Mubarak elk aspect van het vredesakkoord met Israël na. Een van de eerste dingen die Obama’s woordvoerder Robert Gibbs gisteravond zei was dat „wij van de nieuwe Egyptische regering verwachten dat de vrede met Israël wordt gerespecteerd”.

Maar het is onwaarschijnlijk dat democratie in Egypte een nieuwe politieke leider oplevert die even vriendschappelijk tegenover Israël staat als Mubarak. De Israëlisch-Egyptische relatie zal kortom verslechteren. En dus zal de vraag aan wiens kant Obama staat, en aan wie de spanningen te wijten zijn, telkens terugkeren. Tekenend is dat Marty Peretz van de links-liberale New Republic deze week Obama alvast aanwijst als de hoofdverantwoordelijke van de nieuwe werkelijkheid in het Midden-Oosten.

De laatste weken werd ook duidelijk dat het niet zwart-wit is. Conservatieven waren diep verdeeld over het gewenste eindresultaat van de crisis. Neocons als Bill Kristol (Weekly Standard) waren zeer tevreden over Obama’s steun aan een democratisering van Egypte. Anderen, zoals Bush’ VN-ambassadeur John Bolton en columnist Charles Krauthammer (Washington Post/FoxNews), benadrukten dat Egypte een sterke man nodig heeft om de veiligheid van Israël te waarborgen. Het ligt voor de hand dat deze stromingen, zoals meestal in de VS, een gemeenschappelijke vijand vinden om hun meningsverschillen op te bergen. Obama, bij voorbeeld.

Er komt bij dat Obama de komende tijd vrijwel zeker in verlegenheid wordt gebracht door verhalen over martelpraktijken onder Mubarak. In Bush’ Oorlog tegen Terreur, door Obama in grote lijnen voortgezet, was vicepresident Suleiman een cruciale partner. De eerste Al-Qaeda-verdachte die onder Bush gevangen werd genomen, Al-Libi, werd op verzoek van de CIA in Egypte gemarteld.

Het is een verhaal dat laat zien hoe hecht de Amerikaanse relatie met Suleiman was. Al-Libi werd zodanig gemarteld dat hij uiteindelijk de onjuiste informatie aanleverde waarmee de Amerikanen de inval in Irak rechtvaardigden. „Als hij dat wil, kan Suleiman een lange reeks Amerikaanse functionarissen in de problemen brengen”, zegt Matthew M. Aid, inlichtingendeskundige en oud-spion.

En de relaties van Suleiman beperken zich niet tot Republikeinen. De Amerikanen zetten met zijn hulp onder Bill Clinton het programma op waarmee potentiële terreurverdachten zonder vorm van proces ontvoerd werden (zogenoemde ‘renditions’). Dat programma loopt onder Obama nog steeds door.

Typerend voor Suleiman is de anekdote die Ron Suskind optekent in zijn boek de Eenprocentsdoctrine (2006). De Amerikanen kregen na 11 september 2001 een schedel toegespeeld waarvan het (loze) gerucht ging dat deze van de tweede man van Al-Qaida was, Al-Zawahiri. Toen zij dit met DNA-onderzoek wilden vaststellen bood Suleiman hulp aan. Hij hield een broer van Al-Zawahiri gevangen. „We hakken zijn arm af en die sturen we wel even op”, zei Suleiman volgens Suskind.

Ziehier de vrijwel onmogelijke positie waarin Obama zich bevindt. Van hem wordt verlangd dat hij Israël beschermt, de vriendschap met het nieuwe Egypte in stand houdt, en verantwoording aflegt over de vriendschap van zijn land met een regime dat zich, mede op Amerikaans verzoek, te buiten is gegaan aan onwaarschijnlijke gruwelijkheden. De Egyptische crisis is na gisteren binnenlandse politiek in Amerika geworden.