Rozen bij de vangrail

„Die vangrail”, zegt hij peinzend. „Ja, die vangrail, ik weet het nog.”

„Díe vangrail? Niet zomaar elke vangrail?”

„Nee nee. De vangrail bij de oprit naar de A12. In Zoetermeer. Waar ik jarenlang elke dag langskwam op weg naar huis.”

„Kan een vangrail romantisch zijn?”

„Oh ja, daar begreep ik dat zij van me hield. Ze was een collega van me. Ik was, meteen de eerste dag dat ik haar zag,stapelverliefd. Als ik langs haar kamer liep, keek ik altijd naar binnen. Smeltend en smachtend, denk ik.” Hij grinnikt.

„Je ging toch ook wel naar binnen?”

„Ja natuurlijk, maar onze liefde kon niet. Ze was getrouwd. Maar het klikte geweldig tussen ons. Ik ging vaak tegelijk met haar weg, ’s avonds. Dan zwaaide ze naar me als ik achter haar reed en bij de oprit naar de A12 rechtsaf ging. Zij moest rechtdoor daar.”

„Dat was alles? Zwaaien en smachten?”

„Nou, niet helemaal. Elke dag bij die oprit hield ik mijn adem in. Want ze had een keer – als grapje, dacht ik, maar toch – gezegd dat ze mee rechtsaf zou gaan, de A12 op. Als ze ooit wat voor me zou gaan voelen en ’t serieus was.

Die ene keer… Ze zwaaide naar me, ik reed al op de rechterbaan om af te slaan. De lichten stonden op groen, we konden zo doorrijden. Maar opeens draaide ze woest aan haar stuur om nog naar rechts te gaan. Mijn hart stond stil, dat snap je, en ik hield in om haar ruimte te geven.”

„En toen, opa?”

„Het ging mis, ze reed frontaal op de vangrail.

Ik heb stilletjes gehuild op haar begrafenis. Jarenlang heb ik daar bij de vangrail nog elke week een roos uit de auto gegooid. Noem dat maar niet romantisch.”