Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Wetenschap

Red de psychologie uit de klauwen van hersenonderzoekers

Kennis van het brein helpt geen puber om van zijn depressie af te komen, schrijft Jan Derksen.

pagina 2

Bald man with fingers in ears, rear view
Bald man with fingers in ears, rear view Photononstop

Klinisch psycholoog.

Twee van mijn drie dochters studeren sinds kort psychologie. Hun kennis van het brein is nu al indrukwekkender dan die van de psyche. In de uitneembare, levensechte en op ware grootte gefabriceerde hersenen die mijn bureau opsieren, weten ze mij in het limbische systeem – het deel van de hersenen waarin emoties worden gereguleerd en andere belangrijke schakelfuncties plaatsvinden – praktisch alle relevante onderdeeltjes aan te wijzen. Over emoties en gevoelens, verlangens en motieven, geweten en ego-ideaal hoor ik ze nauwelijks. Ze studeren psychologie, maar hun kompas leidt hen op elk moment – bijna automatisch – in de richting van de neurobiologie.

Aan de sectie klinische psychologie van de Radboud Universiteit Nijmegen, waar ik onder meer werk, hoor ik collega’s, die vooral onderzoek doen of deden naar psychotherapie, zeggen dat ze tegenwoordig eigenlijk alleen nog boeken lezen over de hersenen. Deze klinisch psychologen scharen zich in de reeks neuropsychologen die hen reeds zijn voorgegaan.

Enige tijd geleden waren psychologen op de radio aan het woord die onderzoek deden naar posttraumatische stress als gevolg van de vuurwerkramp te Enschede. Ze hadden ontdekt dat rokers meer last hadden van posttraumatische stressverschijnselen dan niet-rokers. Natuurlijk vroeg de journalist naar de oorzaak van deze correlaties. Ik zette me schrap en verwachtte een psychologische theorie, bijvoorbeeld over onveilige gehechtheid in de vroege kindertijd die zowel het roken als een trauma kan faciliteren. Niets van dat alles – ze schaarden zich in de rij van de biologen en kwamen op de proppen met hypothesen over het brein.

De cognitieve neurowetenschappen hebben de laatste decennia de meeste onderzoeksgelden naar zich toe weten te trekken. Populaire boeken over het brein gaan vlot over de toonbank. Van Dick Swaabs boek Wij zijn ons brein werden in de afgelopen vier maanden een kleine honderdduizend exemplaren verkocht. De tienduizenden lezers worden ervan overtuigd dat ons karakter, onze talenten en onze beperkingen voor een groot deel zijn vastgelegd in hersenen die zijn gevormd door onze genetische achtergrond en de ontwikkeling in de baarmoeder (p. 49). In de baarmoeder worden de agressieve jongetjes gevormd door de piek in het testosteronhormoon (p. 211). Agressieve uitingen van hockeyspelers (p. 215) hangen vooral en wellicht uitsluitend samen met testosteronspiegels. Bij Swaab is de psychologie gereduceerd tot placebo, dat wordt gereduceerd tot een stofje in het brein (p. 370).

Onderzoekers als Swaab hebben nooit het geduld opgebracht om literatuuronderzoek te doen naar wetenschappelijke publicaties over psychologische thema’s en naar psychotherapie. Het brein is overmachtig en allesbepalend voor al het menselijk gedrag. Vanwege bijvoorbeeld hormonale circuits in het brein kan geen crimineel meer verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daden. Dat tussen brein en justitieel circuit nog psychologische, sociologische en cultuurhistorische processen lopen, heeft geen plaats in de argumentatie van Swaab en zijn collega’s.

Tijdens een recente studiedag over problematiek van adolescenten maakten de gz-psychologen – die bevoegd zijn om diagnoses te stellen en behandelingen uit te voeren – waar waarvoor ze stonden. Ze bogen zich over de diagnostiek en behandeling van de kwetsbare identiteit van adolescenten. Met diverse theoretische modellen en technische methoden werd de strijd aangebonden met voor jongeren knellende problemen. Kortom, de praktiserende gz-psychologen bedreven psychologie.

In contrast hiermee stonden die ochtend twee onderzoekers, Marinus van IJzendoorn en Michiel Westenberg. Ook in de powerpointpresentaties van beide onderzoekers overheersten de plaatjes van de hersenen, in plaats van die over psychische patronen bij jonge mensen. Door Westenberg werd eerst de al meer dan tweeduizend jaar bestaande opvatting over pubers ontkracht – ze zijn niet zo lastig, gestoord of beide, zoals altijd wordt gedacht. Eigenlijk zijn het gewone mensen met een extra shot hormonen. Tja, het is maar hoe je kijkt naar je studieobject. Met een verrekijker, zoals Westenberg, valt er niet veel aan te beleven. Probeer je hun innerlijke belevingswereld in kaart te brengen door er een vergrootglas op te leggen, dan zou collega Westenberg zich een hoedje schrikken: wat een chaos, wat een crisis, wat een strijd, wat een psychische energie. Van een onderzoeker naar gehechtheid in Nederland zou je mogen verwachten dat hij, voor professionals die werken met pubers en jongvolwassenen, informatie aandraagt waarmee ze vooruit kunnen. De hechtingstheorie is tenslotte toch de belangrijkste, de meest uitgewerkte en meest empirisch ondersteunde theorie die we in de ontwikkelingspsychologie kennen. Vanuit deze theorie de adolescent onder de loep nemen, kan alleen maar een rijkdom opleveren aan klinische hypotheses.

Niets was minder waar die ochtend. Van IJzendoorn had niet één plaatje van het humane brein, maar wel tien. Hij bleek naarstig op zoek gegaan naar het ‘hechtingsgen’. Wat hij kennelijk niet had bedacht, is dat hechting een psychisch proces is dat net als alle psychologische processen natuurlijk ook een noodzakelijke, maar nooit voldoende voorwaarde vindt in de neurobiologie. Van het psychologische begrip ‘intelligentie’ weten we toch ook al lang dat er geen gen voor wordt gevonden en dat we een vaste plek in het brein ter ondersteuning van het IQ wel kunnen schudden. Van IJzendoorn wist nog veel meer verbazing bij mij op te roepen toen hij, wijzend naar het limbische systeem, zei dat we de oorzaak voor zelfmoord en depressie daar wellicht snel konden vinden.

Wat moeten de clinici de volgende dag doen met hun moeilijke puber als ze hebben gehoord dat het brein zich schots en scheef ontwikkelt en dat de zelfmoord toch wordt veroorzaakt door de hersenen? Als ze die heren geloven, blijven ze thuis van hun werk, maar ik heb begrepen dat ze dit niet hebben gedaan. De psychologie zal moeten worden gered door de in de praktijk werkzame gz-psychologen. Zij diagnosticeren en beïnvloeden de hele dag psychische processen, ze maken daar kennis mee en ontwikkelen kennis in hun praktijk.

Neem nu een zeventienjarige jongen die sinds de zomervakantie toenemend somber is geworden. Hij is naar het eindexamenjaar van het vwo gegaan, kwam in een nieuwe groep, vond weinig aansluiting en begon zich af te zonderen. Thuis bij zijn ouders klaagt hij over moeheid, moeite met naar school gaan. Hij kan niet meer genieten. ’s Nachts horen ze hem vaak rommelen op zijn kamer. Hij voelt zich ook toenemend angstig, durft zich niet onder zijn klasgenoten te mengen, wordt paniekerig en voelt zich minderwaardig. Zijn ouders zijn ongerust en vertellen aan de psycholoog, die door hen wordt geconsulteerd, dat ze bang zijn dat hij zichzelf iets aandoet. De ouders denken dat hij blowt. Bij navraag ontkent hij dit. Zijn ouders zijn niet bekend met psychische problemen. Wel hebben een broer en zus van vader diverse malen een depressie gehad.

Bij een dergelijke, veelvoorkomende casus wordt de clinicus niet geholpen door informatie over hormonen die volgens onderzoekers die zich op het brein oriënteren het belangrijkste onderscheid vormen tussen puber of geen puber, noch met informatie over waar in het brein activiteit wordt ontplooid als iemand denkt aan zelfmoord. Een ontwikkelingspsychologische theorie over de ontwikkeling van het zelfgevoel in de puberteit en adolescentie kan wel behulpzaam zijn. Met concepten als zelfgevoel, identiteit, relatie tussen het zelf en de ander, ontwikkeling van seksuele identiteit, hechting aan ouders versus aan leeftijdsgenoten, narcistische grootheidsfantasieën et cetera kun je in kaart brengen waar verstoringen zitten van veronderstelde psychische processen. Psychologische interventies kunnen worden ingezet om deze psychische verstoring te beïnvloeden.

Hersenonderzoekers zijn onbekend met de psychotherapiepraktijk waarin de psychotherapeut leert en ervaart dat psychologische interventies effect hebben op psychische patronen en dat die patronen door die interventies veranderen, evenals overigens de sporen daarvan in het brein. Cognitieve neurowetenschappers als Swaab en Victor Lamme, die werkzaam is aan de faculteit psychologie van de Universiteit van Amsterdam, zijn trots op hun kennis van het brein. Het is jammer dat zij dit moeilijk kunnen relativeren. Laten we nuchter blijven: welke indrukwekkende klinische toepassingen heeft deze kennis tot nog toe opgeleverd?

Elke keer wordt in deze literatuur hetzelfde voorbeeld gegeven – de elektrodes die worden geïmplanteerd bij de trillende parkinsonpatiënt, waardoor deze minder gaat trillen. Laten we ter vergelijking eens een studie doen waarbij dit trillen wordt behandeld met de veel minder belastende en zonder bijwerkingen uit te voeren cognitieve gedragstherapie. Maak ons ook niet wijs dat de ontwikkeling van psychofarmaca een geweldige sprong voorwaarts heeft gemaakt door het hersenonderzoek .

In de wereld van Swaab, en met hem andere cognitieve neurowetenschappers en helaas tegenwoordig ook veel van hun vakgebied afgedwaalde psychologen, bestaan geen motieven en verlangens, geen egofuncties en idealen, geen gewetens en geen emotieregulatiemechanismen die op zichzelf staan, los van de biologie. Zij begrijpen niet dat biologie en fysiologie noodzakelijke, maar nooit voldoende voorwaarden zijn voor psychologisch functioneren. Voor hen liggen wetenschappelijke gegevens in de hersenweefsels waarin ze snijden en waarvan ze foto’s maken, nooit in een theorie over een psychisch proces. In de psyche kun je niet snijden en die kun je niet fotograferen. Hierover moet je wel theorieën opstellen.

De actuele, academische psychologie is in de ban van experimenteel onderzoek. Ze is gericht op verbanden van psychologische feitjes, zonder fatsoenlijke psychologische theorieën, met circuits in de hersenen. Psychologen zijn verworden tot goudzoekers in het brein, in plaats van dat ze wetenschappelijk zijn getraind in het opstellen van rationele, zo veel mogelijk toetsbare theorieën over psychische patronen.

Tja, in een neuron kun je kijken. Dat is aantrekkelijk. In iemands verlangen niet. Dat is een flink stuk abstracter en lastiger, en er wordt minder snel en minder veel voor betaald. Toch is dat wat wij psychologen keer op keer moeten proberen.