Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Media

PsychiLeaks

Openheid is in, vooral op internet. Psychotherapeuten vragen zich af of hun therapie beter werkt als ze hun cliënten over zichzelf vertellen. Of als ze met hen gaan chatten, twitteren of e-mailen.

Wat zegt een psychotherapeut of psychiater tegen een cliënt die wil weten of hij een relatie heeft, of waarheen hij op vakantie gaat? Bijvoorbeeld iets als dit: “Dat wil ik je wel vertellen, als je mij daarna vertelt waarom je dat wilt weten.” Want: is het louter conversatie maken? Of is het flirten? Of het begin van een verzuchting over relaties of vakanties in het algemeen en die van de cliënt in het bijzonder? Wat zegt het over de cliënt? Is het, kortom, iets wat in de therapie aan de orde gesteld moet worden?

Als dat zo is, dan zou het de behandeling ten goede moeten komen als de cliënt zulke vragen stelt. Die cliënt heeft tegenwoordig nog een optie: Google. Flink googelen kan zeeën aan persoonlijke informatie opleveren, zeker als mensen op sociale netwerken als Facebook of LinkedIn zitten en niet goed over hun privacyinstellingen hebben nagedacht. Voor psychotherapeuten extra pijnlijk, want self-disclosure, het geven van persoonlijke informatie, is in hun beroep van oudsher een kwestie: hoeveel vertel je de cliënt over jezelf, wanneer en waarom? Het is iets waar psychologen over van mening verschillen (zie kader), maar waar ze het over eens zijn is dat je er voorzichtig mee moet zijn en goed over moet nadenken.

Het ligt dus voor de hand te verwachten dat er richtlijnen bestaan voor psychotherapeuten en psychiaters over de omgang met internet en sociale media. Maar die zijn er niet.

Intussen denken de therapeuten er zelf wel volop over na, blijkt in een gesprek in een willekeurige psychotherapeutische groepspraktijk in Amsterdam. Aanwezig: psychiater Barend van de Kar (43) en psychotherapeuten Annemieke Oomen (38), Henriëtte Oudshoorn (55) en Esther de Wolf (48).

PROFIELFOTO

Alleen Oudshoorn gebruikt geen sociale media en heeft geen eigen website: “Ik vind het al druk genoeg om mijn e-mails bij te houden.” De andere drie hebben wel een site of werken daaraan, en zitten zowel op LinkedIn, dat ze zakelijk gebruiken, als op Facebook, privé. Op Facebook staan hun privacyinstellingen zo ingesteld dat cliënten hooguit hun profielfoto kunnen zien (een simpel pasfotootje) en wat namen van vrienden. Cliënten accepteren als vriend of contact doen ze niet.

Oomen twittert verder nog. Ze heeft dat account niet afgeschermd, vertelt ze, omdat ze het als een soort visitekaartje gebruikt, als marketinginstrument: “Ik verwijs naar artikelen die me zijn opgevallen, of documentaires; dingen waarvan ik denk: dat is relevant voor mijn doelgroep. En ik let op wat ik schrijf. Dus niet: ‘lekker uitgeweest vannacht en nu uitslapen’ – ik weet dat er meegelezen kan worden.” Nee, daar is ze nooit in haar opleiding of bijscholing voor gewaarschuwd: “Ik heb voor mezelf bedacht om het zo te doen.”

Self-disclosure en het afbakenen van persoonlijke grenzen zijn uiteraard onderwerpen die in hun opleiding wel aan de orde zijn gekomen. “In het begin van de opleiding”, herinnert Oomen zich, “moesten we een rollenspel spelen waarin je nog verf aan je handen had, tijdens de therapiesessie. De cliënt was dan verliefd op je en wilde bij jou thuis komen schilderen. Niet zomaar uit de lucht gegrepen, omdat zulke dingen natuurlijk gebeuren. Als therapeut moet je dan je grenzen helder hebben.” Voor de meeste cliënten geldt het natuurlijk helemaal niet, zegt Oudshoorn, “maar er zijn er altijd die wel over grenzen heengaan”. Die net wat persoonlijker willen worden dan nodig en aangenaam is. In augustus, vertelt ze, toen In Therapie op tv was, een dagelijkse dramaserie met Jacob Derwig als psychiater en onder anderen Halina Reijn en Carice van Houten als cliënten, “toen had ik ook de indruk dat mensen wat meer persoonlijke vragen begonnen te stellen. Maar nu is dat weer normaal.”

PASSEND

Therapeuten zijn er altijd alert op wat ze over zichzelf vertellen. Overwegen steeds wat het effect is. “Waarom vertel ik iets wel of niet, daar moet je steeds mee bezig zijn”, zegt Van de Kar. „Ik probeer altijd in de situatie aan te voelen wat passend is. En soms, maar volgens mij niet zo vaak, past het het beste om iets over jezelf te zeggen. Bijvoorbeeld dat je een gevoel van de cliënt meent te herkennen – of juist niet.”

Aan het begin van de behandeling, of van een sessie, kan het ook nut hebben om wat persoonlijker te zijn, zeggen de therapeuten. Om iemand op zijn gemak te stellen. De Wolf begint een therapie meestal met de vraag: wat wil je van me weten zodat we goed kunnen samenwerken? “Als je het zo stelt, komen mensen niet met onbetamelijke vragen, maar eerder met: waar heb je gewerkt, wat weet je van deze problematiek, kun je iets zeggen over de manier waarop je werkt. Daar kun je natuurlijk prima antwoord op geven.”

Het komt ook wel voor dat mensen het heel belangrijk vinden om te weten of hun therapeut kinderen heeft, als ze bijvoorbeeld zelf problemen met kinderen hebben. Volgens inmiddels nogal ouderwetse therapieopvattingen mocht je op zulke persoonlijke vragen nooit antwoord geven. Die ‘blanco’ houding wordt abstinentie genoemd: de relatie met de therapeut moet niet de ‘neurotische’ behoeften van de cliënt bevredigen zoals in het dagelijks leven gebeurt, maar dat problematische patroon juist doorbreken. Van de Kar betwijfelt of abstinentie werkt: “Misschien was het in vroeger tijden wel gepast, maar door niets te zeggen, laat je ook iets zien. Dan kun je juist harder overkomen dan je denkt. En zijn het niet juist de momenten waarop iemand zich begrepen en gesteund voelt, die een therapie waardevol kunnen maken?”

“Mijn overweging”, zegt De Wolf, “is altijd dat het er niet toe moet leiden dat ze zich met mij gaan bezighouden. De cliënt moet zo dicht mogelijk bij zichzelf blijven. Daarin zit ook het effectieve van de therapeutische relatie.” “Als mensen iets niet van je weten”, vult Oudshoorn aan, “kan het ook niet interfereren in de therapie. Je moet dan soms wel je eigen gevoelens onderzoeken – hier reageer ik heftig op doordat ik zelf zoiets heb meegemaakt – maar in elk geval weet je cliënt dat dan niet.” Het gaat er niet zozeer om, benadrukt ze nog, dat de cliënt niets over de therapeut mag weten. “Maar dat wat hij weet moet je als therapeut weer in de analyse van wat er in het gesprek gebeurt, betrekken – en dat maakt het hele proces complexer en vermoeiender.”

BRUILOFT

Dit alles om aan te geven hoezeer therapeuten bezig zijn met de informatie die hun cliënten over hen hebben. Ze googelen zichzelf ook met enige regelmaat, vertellen ze – en genante informatie komt daarbij niet boven. “Als klanten mij googelen”, zegt Van de Kar, “krijgen ze als een van de eerste hits mijn antwoord op een uitnodiging voor een bruiloft. Daar kan ik wel mee leven; je schijnt zoiets trouwens ook heel lastig weg te kunnen krijgen.” Liever zorgen de therapeuten er dus voor dat potentieel problematische informatie internet niet bereikt. De Wolf was onlangs met wat mensen op vakantie, vertelt ze, en iemand gaat daar een online fotoboek van maken. “Dus dan vraag ik al van tevoren of diegene even met mij wil overleggen, dat ik daar niet met mijn naam bij kom. Ik ben niet heel paranoïde, maar ik probeer het wel in de gaten te houden.”

Wat wel lastig is, zegt Oomen, is dat er meerdere mensen bestaan met dezelfde naam. “Er is nog een Annemieke Oomen, die zit op Hyves en die doet ook van alles. Ik weet dat sommige mensen haar al benaderd hebben om vrienden met mij te worden.” Esther de Wolf heeft een twitterende naamgenoot. Bij een therapeut met een redelijk algemene naam kunnen cliënten dus ten onrechte denken dat ze iets over hem of haar weten. “Ik hoop sowieso”, zegt Oudshoorn, “dat cliënten tegen mij zullen zeggen: ik weet nu dit en dat van je. Het lijkt me best storend voor de behandeling als ze dat niet zouden doen.”

PRIVACY

De therapeuten kunnen zelf ook hun cliënten googelen. Maar dat mag eigenlijk niet, vinden ze. “Het voelt een beetje gek om dat achter iemands rug te doen”, zegt Oomen. “Kijk, als je een loodgieter zoekt, dan kun je googelen om te kijken of het een goeie is. Maar die loodgieter gaat mij niet googelen om te kijken wat voor klant ik ben.” “Ik vind dat een inbreuk op hun privacy”, zegt Van de Kar. “Ook al is het in principe openbare informatie. En ik wil dat ook allemaal niet weten. Een boek kopen van een cliënt zou ik ook niet snel doen. Het belemmert me in de behandeling.” “Ik vind de relatie in de behandelkamer veel interessanter”, zegt De Wolf. “Die andere kant is... een andere kant. Maar daar wérk je niet mee.”

“Wat ik weleens doe”, zegt Oomen, “is tijdens de sessie aan mensen vragen: laat je website eens zien?” Vooral met adolescenten of kinderen is dat vaak een leuke manier om kennis te maken, vindt De Wolf. “Die hebben dan bepaalde gedichtjes op hun site, en hun idolen. Maar soms willen volwassenen ook gewoon even hun eigen website of die van hun werk laten zien.” Zo kan internet de behandeling ook ondersteunen.

En dat doet het op meer manieren, vertellen de therapeuten. Ze voeren soms gesprekken per skype, als een cliënt bijvoorbeeld een tijdje naar het buitenland gaat en de therapie niet wil onderbreken. “Laatst heb ik zo’n webcam gekocht”, vertelt Van de Kar. “Het is even wennen, maar het werkt nu eigenlijk prima. Het is natuurlijk wel belangrijk dat het voortborduurt op een live contact.” Nee, ook daar bestaan geen officiële richtlijnen voor.

En ook niet voor het gebruik van e-mail in de behandeling. “In principe mail je alleen om een andere afspraak te maken”, zegt Oudshoorn. “Maar er zijn natuurlijk ook mensen die gaan mailen over wat er met hen gaande is. Ik probeer dat dan toch allemaal naar de sessie toe te krijgen. Therapeutisch reageren vind ik lastig via de mail, maar het is ook moeilijk om alleen maar te zeggen: ik zie je volgende week wel weer. Ik besteed er veel aandacht aan om dat op een goeie manier te beantwoorden.”

SKYPEGESPREKKEN

Wat je over e-mail afspreekt, is per cliënt anders, zegt Oomen. “Sommigen zeggen: ik vind het gewoon prettig om dit geschreven te hebben en dat het bij jou in je inbox staat. Soms zetten ze er ook bij: wil je het lezen voordat ik kom. Dat probeer ik dan. Sommige mensen die ik bijvoorbeeld maar een keer per maand zie, vinden het ook fijn om mij tussendoor een update te geven. Ook als stok achter de deur voor zichzelf.” “Dan zet je het eigenlijk therapeutisch in”, zegt De Wolf. “Dat doe ik ook weleens.” Psychotherapeuten kunnen de tijd die ze aan e-mails en skypegesprekken besteden, allemaal in rekening brengen. “Dus je kunt die tijd er ook voor nemen”, zegt Van de Kar. “En het heeft ook wel iets dat je weer gedwongen wordt om je gedachten schriftelijk te formuleren.”

Maar zien de therapeuten geen problemen met het sturen van vertrouwelijke informatie via e-mail? “Het is wel iets waar regels voor moeten komen”, zegt Oomen. “Maar aan de andere kant: de post kan ook kwijtraken. Het gebeurt nou ook weer niet zó vaak dat iemand gehackt wordt en al zijn informatie op straat ligt. Nee, in bijscholingscursussen komt dit soort zaken niet aan de orde.”

Maar je moet er ook niet te krampachtig over doen, denkt De Wolf. “Ik weet nog dat er aan het begin van de jaren negentig een hele discussie ontstond over de vraag of je je mobieletelefoonnummer aan cliënten moest geven. Nu heeft iedereen een 06-nummer en we worden echt niet belaagd. Met internet en e-mail zal het wel hetzelfde gaan. In het begin is er een soort paniek, ‘we moeten het in de hand houden’. Dan raken mensen eraan gewend en denken ze: laat maar een beetje gaan. En dan komen er natuurlijk wat incidenten die maken dat je het niet helemáál kunt laten gaan – en dan komt er een soort evenwicht, denk ik. Ach weet je, uiteindelijk is het allemaal ook gewoon menselijk contact. Alleen in een andere vorm.”