Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Schaatsen

Onvergetelijk stayeren in de sneeuw

Aan de vooravond van de WK allround in Calgary staat de tien kilometer ter discussie. De afstand geeft prachtige sport.

Leen Pfrommer coacht Piet Kleine in 1976 in Innsbruck naar zijn gouden tien kilometer. Foto Spaarnestad Piet Kleine wordt op 14 februari 1976 naar goud gecoacht door Leen Pfrommer tijdens de 10.000 m. op de Olympische Winterspelen van Innsbruck.
Leen Pfrommer coacht Piet Kleine in 1976 in Innsbruck naar zijn gouden tien kilometer. Foto Spaarnestad Piet Kleine wordt op 14 februari 1976 naar goud gecoacht door Leen Pfrommer tijdens de 10.000 m. op de Olympische Winterspelen van Innsbruck. Spaarnestad

Een zondagmiddag tegen vijven, de zon allang weg gezakt tussen de Dolomieten, voor het verkleumde publiek langs de ijsbaan in het Italiaanse Baselga de Piné kunnen de Europese kampioenschappen schaatsen van 2001 niet snel genoeg afgelopen zijn. De Nederlandse favorieten hebben verrassend verloren van de Rus Dmitrij Sjepel. Zeven ritten op de tien kilometer zitten erop, inclusief drie onvermijdelijke dweilpauzes. In de slotrit hoeft Sjepel slechts de titel veilig te stellen. Tegenstander Bart Veldkamp staat na drie afstanden zesde, meer dan dertig tellen achter. Kansloos. Misschien kan ‘onze’ schaatsbelg nog proberen in elk geval de tien kilometer te winnen. En dan met z’n allen gauw naar huis.

Wel een snel begin van Veldkamp, die als stayer meestal de eerste rondjes gebruikt om ‘in gesprek te komen met het ijs’. In vloeiende stijl rijdt hij meteen weg van Sjepel. „Die Russische dikbil”, grapt Veldkamps ploeggenoot Marnix ten Kortenaar in de kantine. Snel is daar niemand meer. Iedereen wil het zien, op de houten tribunes. Vijf seconden voorsprong voor Veldkamp na vijf rondjes, tien tellen na ronde tien. Dit kan hij nooit volhouden. Alles of niets, een zelfmoordpoging. En dan nog. Een seconde per rondje maakt 25 seconden aan het eind. Vijf te weinig voor de titel.

„Mam, denk je dat ik ooit zo goed word als Piet Kleine”, vraagt de negenjarige Veldkamp als zijn idool in 1976 in Innsbruck olympisch goud wint op de tien kilometer. Legendarische race van de latere postbode uit Kerkenveld. Sneeuwjachten teisteren de schaatsers, de Noor Sten Stensen rijdt de snelste tijd en laat zich al feliciteren op het middenterrein. Dan moet Kleine. Zijn brede, lange klappen zijn het summum voor elke fan van de tien kilometer. Wie zwierde in eigen beleving niet in dergelijke stijl over sloten, vaarten en kanalen? De eenzaamheid van de lange afstandschaatser.

„De mannen die de sneeuw moesten wegschuiven werden moe tijdens de race van Piet”, herinnerde zijn coach Leen Pfrommer zich vorig jaar. „Het baantje werd smaller en smaller. Piet reed altijd breed maar moest nu steeds smaller sporen.” Kleine versnelde. Vlak voor de finish haalde hij zijn tegenstander, de Rus Ivanov, voor de tweede keer in: eindtijd 14.50,59, bijna drie seconden sneller dan Stensen. Goud.

Pfrommer, die tussen 1969 en 2001 vrijwel alle Nederlandse topschaatsers korter of langer coachte, praat nog altijd lyrisch over Inzell, zondag 26 januari 1969. „Kees Verkerk stond na de eerste dag op grote achterstand. Maar de volgende dag wel een wereldrecord rijden op de tien kilometer, die beroemde 15.03, en nog als tweede eindigen. Mensen herinneren het zich nu nog, blijkt op lezingen die ik geef. Dan heb je toch iets losgemaakt.”

Beroemde records genoeg. Hjalmar Andersen poseerde vorig jaar bij de sluiting van het oude stadion in Hamar bij min dertig geduldig naast het scorebord dat voor eeuwig stilstaat op 16.32,6, zijn toptijd uit 1952. Zoals ook de 15.46,6 van Knut Johannesen uit 1960 behoort tot de canon van de Noorse geschiedenis. Of de 13.30,55 van Johann Olav Koss op de Spelen in Hamar 1994. „Dit kan verdomme niet”, tierde destijds Veldkamp, kansloos derde. Achteraf resteert bewondering voor de wonderrace van zijn Noorse vriend. „Die houding, he-le-maal vast. Die kracht voor een vroege afzet uit de heupen, 24 ronden lang. Die ogen, die concentratie! Steeds dezelfde blik. Tot hij in de laatste ronde beseft hoe hard hij gaat. Maar tot die tijd: één geoliede machine.”

Elke ronde opnieuw dezelfde rondetijd, een goede tien kilometerrijder voelt het tot op een tiende van een seconde aan. Niet te snel, dan houd je het niet vol. Niet te langzaam, want verlies maak je zelden goed. Polderen met je fysieke vermogens op het ijs. En al jaren volop Nederlands succes. Sven Kramer won achttien tien kilometers op rij, tot hij er vorig jaar op de Spelen eentje verloor door een fout van zijn coach. Daarvoor ging het goud naar Bob de Jong (2006), Jochem Uytdehaage (2002) en Gianni Romme (1998).

Veldkamp werd in Albertville 1992 net als zijn idool Kleine olympisch kampioen. En is negen jaar later in Baselga bezig aan nog een onvergetelijke tien kilometer. Dertien seconden ligt hij halverwege voor op Sjepel. Twee keer dertien is zesentwintig, nog maar vier tellen te weinig voor de titel. Zou het dan toch? Op de tribunes wordt gestampt, geklapt, geschreeuwd. Heya, heya, Bartsje, Bartsje!

Sjepel verliest in ronde 22 liefst 2,4 seconden, het verschil loopt op naar 24 tellen. Nog drie ronden. Drie keer 2,4 is 7,2. Plus 24 is… Duizenden rekenen op de tribunes, miljoenen voor tv. Henk van der Grift, Gotenburg 1961, wereldkampioen in de laatste twee rondes van de tien kilometer. Harm Kuipers, Bislett 1975 tegen Ivanov. En nu Veldkamp?

De klok staat stil op 13.38,72. Meeschrijvers tellen er razendsnel 30,74 seconden bij op, de achterstand van Veldkamp op Sjepel, en noteren 14.09,46 als tijd die de Rus moet halen. Of beter: niet mag halen. Sjepel ploegt naar de finish. Ja, nee, ja, nee… 14.08,32. Nee. Toch net geen Europese titel voor Veldkamp. Wel redde zijn onvergetelijke tien kilometer weer eens een kleurloze zondagmiddag, als klassieke afsluiting van een lang schaatstoernooi.