Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Nationaliteit is mij heilig en daarom stem ik geen VVD meer

Vele malen stemde ik op de VVD. Maar dat doe ik niet meer nu kabinetsbeleid ertoe zal leiden dat sommige burgers op zicht zijn in Nederland en hun paspoort kunnen verliezen.

Columnist, presentator en schrijver. Auteur van o.m. ‘Buitenwacht’ (1995), ‘Liefde is voor vrouwen’ (2002), ‘De man en zijn lichaam’ (met Arie Boomsma) (2010).

Eerst maar eens een familieanekdote, niet om uw hart te winnen, maar om iets te kunnen zeggen over het huidige, politieke landschap van Nederland. Ik heb die omweg nodig om wel degelijk uw hart te bereiken en als het even kan ook uw brein. Het probleem is, dat het politieke vocabulaire dat momenteel de toon zet, niet toereikend is om dat te bewerkstelligen. Want het politieke debat is geblokkeerd geraakt door stoplappen. Ik zeg: ‘elite’, of ‘moskee’ en dan is het duidelijk welke reactie er van u verwacht wordt, de aanvallende of de verdedigende, al naar gelang uw politieke voorkeur. Ik zeg: ‘het moet eerlijker’ en weer wordt het debat niet oprechter, alleen maar partijdiger. En ook de ‘hardwerkende Nederlander’ is allang niet meer een Nederlander die gewoon hard werkt, maar een politiek icoon, of, in weer andere ogen, een regelrechte karikatuur.

De campagneafdelingen van de verschillende politieke partijen weten elkaar loepzuiver te bestoken, en daar tussenin ligt het spergebied dat we vroeger wel ‘het brede maatschappelijke middenveld’ noemden, waar een al even ‘brede maatschappelijke discussie’ werd gevoerd. Dat is steeds minder het geval, omdat het debat vervangen is door slagwoorden, en die slagwoorden wel effect hebben en doel treffen, maar nauwelijks nog een lading dekken. De discussie is heel levendig: een roedel pavlovhondjes, die één voor één aanslaan. Maar des poedels kern wordt angstvallig vermeden. En met die kern bedoel ik: de vraag naar de staat en het burgerschap, de nulgraad van de politiek.

Daarom dit familieverhaal.

In 1976 was ik vijftien, en in het bezit van een vader, moeder en zusje. Eigenlijk was het aan mij om voluit te puberen, en moest zusje nog even wachten, want zij was twee jaar jonger, maar op de een of andere manier liepen die dingen bij ons thuis niet zoals ze hoorden. Zusje was opstandig, zusje ging aan de haal, aan de drugs, liep van huis, schopte scènes en liftte dan weer boos de nacht in. De ruzies speelden tussen mijn ouders en zusje, of beter gezegd, tussen moeder en zusje, die in theatraal opzicht gruwelijk aan elkaar gewaagd waren, zoals Who’s afraid of Virginia Woolf een gruwelijk toneelstuk is.

Ik stond aan de kant te vredestichten en mij niet het mannetje, maar het mietje te voelen. Alsof ik niet een ‘echte’ jongen was.

In een van die hoogoplopende scènes sprak zusje het ultieme machtswoord, het woord dat bij ons thuis beslist, onder alle omstandigheden, verboden was. Nadat moeder een bombardement aan klachten en verwijten op zusjes krullerige hoofd had laten neerdalen, schreeuwde die in een eenmalige uitbarsting van verbale trefzekerheid: „O. Niet tevreden met je adoptiekindje? Slechte dochter ik? Je kan me inruilen hoor. Zeg het maar. Je mag wat mij betreft dat hele adoptiegedoe nu ongedaan maken.”

Het verboden woord was gevallen, het ondenkbare gezegd, en er volgde stilte.

Dit klinkt logischer dan het was. Moeder was eigenlijk nooit stil te krijgen.

Toen wel. Ze zuchtte, ze slikte nog eens, en zei op een rare, iele toon:

„Dat kan niet. Dat kan nooit. Je bent en blijft ons kind.”

Daarna zijn er nog veel schermutselingen gevolgd, en dat nog jarenlang, maar het A-woord is niet meer gevallen.

Dat was dus de ongeschreven spelregel bij ons thuis; je mag alles zeggen en behoorlijk wat doen, maar het is ten strengste verboden de niet-biologische verbanden, waardoor wij als gezin bij elkaar werden gehouden te misbruiken.

Ik vond dat toen een goede regel, omdat daarmee de onomkeerbaarheid werd uitgedrukt van onze situatie.

Er waren adoptiepapieren, ondertekend door rechters, waarop stond dat ik de zoon, en zusje de dochter was van vader en moeder. Ik kende het woord toen niet, maar dat onloochenbare, niet terug te draaien feit verleende mij rechtstatelijke zekerheid, zou ik nu zeggen.

Gezinsrechtstatelijkheid. De band tussen ouders en kinderen is officieel, en niet afhankelijk van humeuren en wispelturigheden. Er komt heel wat bij kijken om die ongedaan te maken.

Dat is niet in elk verband zo. Een huwelijk wordt aangegaan, bekrachtigd, en één op de drie, vier keer weer verbroken. In de volwassen, zelfgekozen verhouding geldt de regel van de onomkeerbaarheid al een heel stuk minder. Iemand kan de liefde herroepen, of zelfs verloochenen. Luister naar de wanhopige Miss Fine, uit de tv-sitcom The Nanny die over haar baas en gedroomde liefde mr Sheffield uitroept: „First he said he loved me …and then he took it all back.”

Dat ‘terugnemen’ is misschien niet netjes, maar menselijk is het zeker en verboden is het ook al niet. All’s fair in love and war.

Maar nu de wettelijke, staatsrechtelijke verbanden, die niet per se met liefde gepaard hoeven gaan – liever niet, zelfs. Er is dat desolate gezegde, dat ‘een mens naakt geboren wordt’. Eerlijk gezegd is dat zelden het geval. Bij mijn geboorte lag al een dekentje klaar van papier: de inschrijving bij de burgerlijke stand, het Nederlandse staatsburgerschap. De meeste lezers van deze krant hebben die nationaliteit automatisch gekregen, zonder er meer voor te hoeven doen dan ter wereld te komen. Er zijn laatkomers, die het Nederlandse paspoort niet in hun wiegje vonden, maar er zelf om hebben gevraagd. Zij zijn daardoor in wettelijke zin overigens niet ‘minder’ of ‘minder echt Nederlands’, zoals een jonger zusje ook niet minder van de familie is dan een oudere broer.

De laatst gearriveerde heeft met het Nederlandse paspoort in z’n hand, dezelfde rechten als de Nederlanders van geboorte. Het kost nog veel moeite om dat staatburgerschap weer te verliezen. Je moet actief solliciteren naar een andere nationaliteit, die ook nog krijgen, en dan ook nog van een land waar een dubbel paspoort niet geaccepteerd wordt. Je moet meer dan tien jaar ononderbroken buiten Nederland verblijven, of vrijwillig dienst nemen in vreemde krijgsdienst, waarbij die vreemde krijgsdienst dan ook nog eens betrokken moet zijn bij gevechtshandelingen tegen het koninkrijk.

Een knappe jongen die dat klaarspeelt.

Die knappe jongen heeft inmiddels zijn entree gemaakt. Zijn naam: Geert Wilders. Zijn partij: de PVV. Kort nadat het minderheidskabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van PVV een feit werd, verklaarde die partij:

„Dan een voor de PVV belangrijk punt dat we hebben binnengehaald: denaturalisatie. Jarenlang is de PVV zwartgemaakt omdat we vinden dat het Nederlanderschap van criminelen met een dubbele nationaliteit moet worden ingetrokken. Nu gaat dat gebeuren.”

Die denaturalisatie is van meet af aan een kroonjuweel geweest van de PVV – het idee om het ontnemen van het Nederlandse staatsburgerschap gemakkelijker te maken. Dat is ongekend binnen de Nederlandse verhoudingen. Een echte ‘stembreuk’, zoals vocalisten zeggen.

Voorbeeld: over de moordenaar van Theo van Gogh, Mohammed B., zei PVV’er Sietse Fritsma meteen: „Deze slager van de Jihad is het Nederlanderschap niet waard en het is de morele plicht van het kabinet om voor snelle denaturalisatie te zorgen.”

Van een Duitse burger van Turkse komaf, die veroordeeld is voor eerwraak, wordt van PVV-zijde vastgesteld dat „iemand die eerwraak pleegt geen echte Duitser is, omdat het plegen van eerwraak strijdig is met onze westerse waarden”.

Gelukkig is het plegen van moorden een hecht verankerd recht in de Nederlandse Grondwet.

Via de echte en de onechte Duitser, komen wij natuurlijk uit bij de onechte Nederlander – een nieuwe categorie, die daarvoor nooit bestaan heeft, behalve op Franse campings. De ‘onechte’ Nederlander’ is een spookgast. De PVV duidt daarmee op de Nederlandse crimineel, die ook nog een Marokkaans, of Turks, of Argentijns of Iraans paspoort bezit. Vandaar de eis: ‘denaturalisatie van criminelen met dubbele paspoorten.’ Dat daardoor rechtsongelijkheid ontstaat tussen Nederlanders die eenzelfde delict hebben gepleegd en dus artikel 1 van de Grondwet bij het grofvuil wordt gezet, lijkt niet te deren.

Hoeveel ophef Wilders ook heeft gemaakt om de zaak van Zahra Bahrami, de Nederlands-Iraanse vrouw die ter dood is gebracht: de Iraanse machthebbers, die Bahrami naar eigen zeggen wegens drugssmokkel hebben veroordeeld, beroofden haar van haar Nederlandse paspoort, precies zoals Wilders dat graag zou doen bij Nederlands-Iraanse criminelen.

Telkens weer wordt een manier gevonden om het Nederlandse staatburgerschap, die eenmaal uitgegeven verzekering, ongedaan te maken…to take it all back.

Dat is niet zozeer spelen met criminelen of Turkse of Marokkaanse Nederlanders; dat is uiteindelijk spelen met het Nederlandse staatsburgerschap an sich, uiteindelijk ook met het uwe en het mijne. Hoe kan de ‘onechte’ Nederlander herkend worden? Is het iemand die er ‘on-Nederlands’ uitziet, zich ‘on-Nederlands’ gedraagt? De definitieve gedraging van een hele grote groep Nederlanders ligt hier op de loer.

Het idee was altijd dat de Staat er is om al zijn burgers te beschermen, ook, of juist in het buitenland. De vraag of die Nederlandse staatsburger wel een ‘echte’ Nederlander is, is net zo relevant als de kwadratuur van de kleur blauw.

Dat duistere zinspelen op de mogelijkheid van denaturalisatie is een mogelijkheid die de facto voor Nederlanders met een streepje kan uitlopen op statenloosheid. Hier geboren Marokkaanse Nederlander op 24 jarige leeftijd ‘teruggestuurd’ naar Marokko. Je kunt zo iemand net zo goed meteen in zee gooien.

Zo’n hele terugdraaiprocedure is mij een gruwel. Om het klein te houden: ik ken bijvoorbeeld geen adoptieouders die officieel afstand van hun kind hebben gedaan toen het veroordeeld was wegens drugssmokkel, inbraak, diefstal, beroving, moord of wat dan ook. En wat voor ouders geldt, geldt a fortiori voor de staat, die sentiment en wet moet scheiden.

Goed, het moge duidelijk zijn, de PVV is mijn partij niet.

Ik zou me als VVD-stemmer niet in een lastig parket bevinden als de PVV geen gedoogsteun verleende aan dit kabinet, en dan ook nog eens vooral op punten van immigratie en veiligheid.

Daarmee zijn de standpunten van de PVV nog niet per se die van het VVD/CDA-kabinet, maar wel is er dit ‘bereikt’: „Het kabinet wil met een voorstel komen om personen die binnen 5 jaar na verkrijging van het Nederlanderschap veroordeeld zijn of worden voor een misdrijf waar twaalf jaar of meer op staat, het Nederlanderschap te ontnemen.”

Dit is het compromis, van wat compromisloos hoort te zijn: het staatsburgerschap. Dat wordt nu in zekere gevallen ‘voorlopig’. Gevolg: Nederlanders, die wel Nederlander zijn, maar ook vijf jaar niet ‘echt’. Ze zijn Nederlander op zicht, en kunnen altijd nog weer worden ingeruild of teruggebracht (de verkeerde aankoop). Het meest verbaast me nog wel het schouderophalen waarmee deze plannen worden ontvangen. In Frankrijk, in Amerika maakt dit morrelen aan het staatsburgerschap verhitte debatten los: in de republikeinse traditie is het zonneklaar dat hier een absolute grens wordt overschreden. In Nederland is die grens kennelijk vloeibaar geworden en poreus.

Alarmfase 1, zou ik zeggen.

Natuurlijk, er zijn ook andere bezwaren in te brengen tegen dit kabinet: de onevenredige kunstbezuinigingen, die onder leiding van Halbe Zijlstra met een gretigheid ter hand worden genomen, als was het een afrekening in het culturele milieu. (Waar houdt zich toch die nette, cultuurminnende elite op: dat was toch vroeger ook bij de VVD?); de ruwe ingrepen in het onderwijs, het merkbare dedain voor de academische wereld.

Allemaal hoogst urgent en discutabel, maar bij lange na niet zo fundamenteel als iemands staatkundige status, die nu juist níét discutabel hoort te zijn.

Ik zie dit kabinet schuiven op het enige punt, waar schuiven werkelijk onverteerbaar is.

Overigens ben ik van mening dat premier Rutte het voortreffelijk doet. Zijn aanpak van de Kunduz-missie was een staaltje hogere politiek, en niet alleen dat: de bevroren verhoudingen in het parlement zijn erdoor ontdooid, ook dankzij de moed van GroenLinks. Het is een genoegen naar de eerste minister te luisteren. En ook in de noodzaak van die 18 miljard bezuinigingen wil ik best geloven. Bestond er een onafhankelijke lijst-Rutte: hij kreeg mijn stem.

Maar die staatsrechtelijke graat in de keel, die krijg ik niet weggeslikt. Moet ik memoren dat juist op staatsrechtelijk terrein de liberalen zich tot voor kort konden laten voorstaan op een voorbeeldige staat van dienst?

De VVD hoopt uiteraard op VVD-stemmers, en als er dan nog twijfelaars zijn, willen die dan in ieder geval zo goed zijn te stemmen op het CDA of op de PVV? Dit is het officiële VVD-advies voor de Provinciale Statenverkiezingen.

Wat zal ik ervan zeggen: een partij die toestaat dat de grondslag van het staatsburgerschap wordt gerelativeerd, hoeft het niet te verbazen dat ik me dit keer niets gelegen laat liggen aan partijloyaliteit of kiezerstrouw.