Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Marsmethaan zit hoogstwaarschijnlijk in de aardatmosfeer

Mars, gefotografeerd door de Hubble Space Telescope tijdens een zeer dichte nadering (43 miljoen kilometer) in juni 2001.
Mars, gefotografeerd door de Hubble Space Telescope tijdens een zeer dichte nadering (43 miljoen kilometer) in juni 2001.

Methaan op Mars? Die claim is veel te voorbarig, aldus drie Amerikaanse onderzoekers in een artikel dat binnenkort in Icarus verschijnt. In de afgelopen jaren maakten verscheidene astronomen melding van tekenen van methaan in de atmosfeer van Mars. Dat leidde tot ophef, mede omdat methaan – in ieder geval op aarde – ook door biologische activiteit ontstaat. Kevin Zahnle en collega’s hebben de metingen nu kritisch bestudeerd en concluderen dat het methaan zich niet op Mars bevindt maar in de aardatmosfeer.

Het methaan op Mars zou zowel qua tijd als plaats sterk variëren. Dit impliceert dat het gas niet alleen snel ontstaat, maar ook snel wordt ‘opgeruimd’. Er is echter geen enkel bekend mechanisme dat dit laatste voor elkaar zou kunnen krijgen. Methaanmoleculen zouden in de ijle Marsatmosfeer een levensduur van eeuwen hebben, in plaats van de weken tot maanden die de metingen van de Europese Mars Express suggereren. Volgens Zahnle en collega’s lagen de metingen van deze Marssatelliet echter op de grens van het mogelijke en werden ze verstoord door waterdamp.

De telescopen op aarde zouden telkens één absorptielijn van methaan in het spectrum van Mars hebben gevonden. Eén lijn is echter nog geen vingerafdruk omdat de telescopen ook door de aardatmosfeer moeten heenkijken. Die is tientallen malen dikker dan de Marsatmosfeer, waardoor het signaal van het aardse methaan wel 2000 maal zo sterk is als het signaal van het mogelijke Marsmethaan. Ook levert de aardatmosfeer talloze absorptielijnen van andere gassen – het is als het zoeken van één boom in een bos van duizenden.

Nu hadden de astronomen Mars eertijds waargenomen toen die zich naar ons toe of van ons af bewoog. De positie van een mogelijke methaanlijn zou dan iets naar de kortere of langere golflengten zijn verschoven en beter te onderscheiden zijn van aardse methaanlijnen. Zahnle en collega’s laten echter aan dat deze truc maar ten dele werkt. Zij vonden bovendien een vreemde tegenstrijdigheid. Op die golflengten waar de verstorende invloed van aardse absorptielijnen het grootst is, is het signaal van het Marsmethaan het sterkst. En waar die verstoring het kleinst is, werd juist weinig of geen methaan gevonden. Conclusie: het vermeende Marsmethaan zit in de aardatmosfeer. George Beekman