Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Lust op de snelweg

De Peugeot RCZ roept genadeloos alles in je op wat je niet wilt zijn. Kan ik ergens in therapie?

Als ik het de importeur vriendelijk vraag, zou ik deze dan een maandje of wat mogen houden? In plaats van drie dagen?

Tot nu toe beoordeelde ik auto’s steeds op prijs/kwaliteitverhouding en functionaliteit. En heb ik me altijd verzet tegen poeha over turbo’s, motorgeluid en ‘lijnenspel’. Bah, lijnenspel.

Auto’s zijn om jezelf en anderen mee te vervoeren voor niet al te veel geld, binnen zekere brandstofnormen en milieugrenzen. De meeste auto’s zijn meer of minder saai en zo hoort het ook. Eén keer in de vijf jaar koop je een ander en dat is gek genoeg toch een grote beslissing. Qua techniek zijn het kleine marges. Qua uiterlijk moet een auto hooguit een beetje passen bij wat je doet en wie je bent. Het is alleen maar belangrijk omdat ik er ’s ochtends met een zeker plezier naar toe wil lopen. Het humeur moet er liefst een klein beetje van vooruit gaan. Hogere eisen stel ik niet. Onder de 35 mille zijn vrijwel alle redelijke autowensen te vervullen. Zeker tweedehands. Autowinkelen is dus leuk, maar ook onbelangrijk.

Wie meer wil uitgeven, komt in het onverdraaglijke domein van het auto-ouwehoeren terecht. Over imago, merkgevoel en andere voorwendsels om jezelf mee in de luren te leggen. De auto als identiteitsverschaffer annex hobbyobject. Ik gun het iedereen. Maar ik blijf er naar vermogen bij weg. Ik laat me op de snelweg inhalen en verbaas me over de vele echt dure auto’s. Wie hier gewoon wil zijn, die kope een Rangerover. Ik ben immuun.

Hoewel? Van zo’n Peugeot RCZ krijg ik het warm. Het ding is alles wat ik niet nodig heb en waar ik eigenlijk ook niet voor ben. Een compacte, lage, stoere, snelle, oogverblindende coupé. Nog nooit in zoiets gezeten en na één dag al bijna verkocht. Het gereden exemplaar kost 43.000 euro, wat ik nóóit uit zou durven geven voor een auto. Maar als je er wat extra’s afdenkt, dan kan het ook voor 10.000 euro minder. En dan begint het zelfs bij mij te jeuken. Wat een apparaat.

Kan ik ergens in therapie?

In iedere testauto tot nu toe zocht ik meteen naar de cruise control. Om dan rustig te kunnen klooien met de radio en de navigatie. De RCZ heeft ook zo’n knop, maar ik heb geen behoefte. Tjeezes, dat stuur goed vasthouden, gas geven, dan van rijbaan verwisselen. Je passagier even aan het schrikken maken. Lekker keten op de snelweg, dat was het. En zo ben ik helemaal niet! Ik ben een suffe kindervervoerder die altijd rechts houdt en het benzineverbruik probeert te drukken. Ik heb zelfs een TomTom die piept bij iedere locale snelheidslimiet.

En nu dit. Een RCZ met 200 pk, die stuurt als een skelter en ongegeneerd BROEM zegt als je gas geeft. En met inderdaad, driewerf sorry, lijnenspel waar ieders blik door wordt getrokken. De dubbele welving van het dak schijnt ‘double bubble’ te heten. Het maakt de auto, zesmaal sorry, zelfs sexy. Terwijl die enorme wielkasten en vierkante achterkant juist weer vrij gespierd ogen. Iedereen wil opeens ook ‘een eindje meerijden’. Wat een prachtige lijnen. Getverdemme.

En als ik er dan één heb, hoe zou ik me dan voelen? Hóór ik er wel in? Of sta ik voor joker als ik er thuis voor de deur uitkruip? Verander ik in dat andere autocliché: de dure tweezitter met een grijzend, middelbaar mannenhoofd erin. De tweede leg, maar dan op de snelweg. James Dean-illusies voor gezinshoofden.

Hoe leg ik het trouwens de buurman uit, die genadeloze voorman van de sociale autocontrole? Zo, zo, en wat hebben we nu toch aangeschaft? Wat zeg ik dan terug? Behalve dat ik er ‘zin’ in had. Dat autorijden ook onder de 120 in een over-bezet land nog steeds spannend kan zijn. Dat ik ook kan wachten tot ik dood ben. Dat me al die verstandige stationwagens en handige hatchbacks de neus uitkomen. Dat ik ook wel eens iets wil wat echt mooi is. Waar je ook keihard mee kan rijden. Waarin je de grijns niet van je gezicht krijgt. Nou ja zeg!