Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Leefvorm-neutrale inkomensheffing als illusie

In een rijtje net opgeleverde woningen huizen drie families. Henk is veertig jaar en nog steeds vrijgezel. Michiel en Olga wonen samen en hebben allebei een baan. Frans wint de kost voor zijn vrouw Marjan. De aangifte over 2010, die voor 1 april 2011 naar de fiscus moet worden verstuurd, vermeldt voor alle drie de huishoudens hetzelfde belastbare inkomen van 60.000 euro.

De aanslag inkomensheffing (inkomstenbelasting plus premies voor de volksverzekeringen, zoals de AOW) vermeldt straks echter heel verschillende bedragen. Als alleenstaande betaalt Henk ruim 5.000 euro meer dan de tweeverdieners. Kostwinner Frans draagt voor ongeveer 3.000 euro meer aan de schatkist bij (zie figuur).

Zijn zulke grote verschillen in belastingdruk wel te rechtvaardigen? Sommige Tweede Kamerleden hebben hun twijfels. Zij zouden de inkomensheffing ‘leefvorm-neutraler’ willen maken, zodat – bij hetzelfde inkomen – de verschillen in afgedragen belasting kleiner worden.

Afgelopen woensdag organiseerde de Vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer een hoorzitting om van een stoet van deskundigen te vernemen hoe dit doel valt te bereiken. Drie vragen dringen zich op. Eén: waar komt het verschil in belastingdruk vandaan? Twee: wat valt er aan te doen? Drie: is de uiteenlopende belastingdruk eigenlijk wel een probleem?

Het verschil in belastingdruk ontstaat, om te beginnen, doordat werkende mensen recht hebben op een extra korting op de verschuldigde belasting van 1.500 euro per jaar. Doordat tweeverdieners deze ‘arbeidskorting’ tweemaal kunnen claimen, zijn zij altijd 1.500 euro beter af dan alleenstaanden en kostwinners.

De korting is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die een werknemer moet maken om zijn of haar inkomen te kunnen verwerven. Het ligt niet erg voor de hand om tweeverdieners slechts eenmaal recht op arbeidskorting te geven. Juist zij hebben immers vaak extra kosten, niet in de laatste plaats in verband met de opvang van de kinderen.

De progressie in het tarief van de inkomensheffing is de tweede oorzaak van het verschil in belastingdruk. Vrijgezel Henk en kostwinner Frans betalen over de top van hun inkomen het hoogste tarief van 52 procent.

Tweeverdieners die elk 30.000 euro inbrengen, blijven steken in de tweede tariefschijf (42 procent). Verdient een van beiden driekwart van het huishoudensinkomen, dan loopt de belastingdruk al licht op, omdat een groter deel van het gezamenlijke inkomen in een zwaarder belaste tariefschijf valt (zie figuur).

Het ‘progressie-effect’ voor alleenstaanden en kostwinners verdwijnt wanneer een ‘vlaktaks’ zou worden ingevoerd. Bij deze heffing is over elke euro van het inkomen een gelijkblijvend percentage verschuldigd. Een vlaktaks die voor de schatkist hetzelfde opbrengt als de huidige inkomensheffing heeft – wanneer bestaande aftrekposten ongemoeid worden gelaten – een tarief van omstreeks 40 procent.

Lagere inkomensgroepen gaan hierdoor meer betalen, de hoogste inkomens gaan er juist fors op vooruit. Bij een inkomen van anderhalve ton bedraagt de lastenverlichting door de overstap op de vlaktaks bijvoorbeeld twaalf mille. Het lijkt onwaarschijnlijk dat voor zo’n operatie voldoende politiek en maatschappelijk draagvlak valt te mobiliseren.

De belastingdruk voor kostwinners gaat flink omlaag, wanneer zij net zo worden behandeld als tweeverdieners. Dit kan door de helft van het inkomen van de kostwinner toe te rekenen aan en te belasten bij de niet-werkende partner. Zo’n ‘splitsingsstelsel’ bestaat in Duitsland.

Ook invoering van het splitsingsstelsel brengt mee dat kostwinners met hoge inkomens er fors op vooruit gaan. De financiële prikkel voor hun partner om buiten de deur te gaan werken, wordt zwakker. Een hogere arbeidsparticipatie is evenwel dringend gewenst nu de vergrijzing van de beroepsbevolking doorzet.

De laatste oorzaak van het verschil in belastingdruk – bij gelijk inkomen – is dat de niet-verdienende partner van kostwinners in de regel aanspraak kan maken op een eigen belastingkorting. Deze ‘aanrechtsubsidie’ bedraagt voor mensen die vóór 1972 zijn geboren 2.000 euro en wordt in maandelijkse termijnen aan de partner uitbetaald. Zou zij worden geschrapt, dan betalen alleenstaanden en kostwinners voortaan inderdaad evenveel belasting.

Voor mensen geboren in 1972 en later gaat het deze kant op: met ingang van 2009 wordt de tegemoetkoming in vijftien gelijke jaarlijkse stapjes volledig afgebroken. Dit betekent voor jongere kostwinners uiteindelijk (vanaf 2024) een belastingverzwaring van 2.000 euro per jaar – de aanrechtsubsidie die hun partner niet langer ontvangt. Ook kostwinners die het minimumloon verdienen gaan er zoveel op achteruit.

Logische pendant: de bijstandsuitkering voor een paar ligt over twaalf jaar eveneens 2.000 euro lager. Anders zou de bijstand – ondanks de arbeidskorting, die uitsluitend aan werkenden ten goede komt – duidelijk hoger worden dan het minimumloon. Dat geeft een perverse prikkel, maar juist tegen deze aantasting van het sociaal minimum maakten enkele experts tijdens de hoorzitting weer bezwaar.

Aan alle varianten voor een meer leefvorm-neutrale inkomensheffing kleven dus grote bezwaren. Beschikbare alternatieven druisen in tegen het streven partners vaker buitenshuis te laten werken. Invoering van de vlaktaks of het splitsingsstelsel leidt tot aanzienlijk grotere verschillen in het na belastingheffing besteedbare inkomen.

Soms verdient het bestaande simpelweg de voorkeur boven fiscale dagdromerij. Leefvorm-neutrale heffing over het inkomen maakt geen schijn van kans.