Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

Jonge ondernemer is aanjager van economie

De gevestigde industrie krijgt jaarlijks 1,5 miljard voor ontwikkeling en onderzoek. Geef dat geld aan jonge, hoogopgeleide ondernemers, zeggen critici. Zij zijn cruciaal voor innovatie en economische groei.

Tim Koene, student elektrotechniek, start binnenkort een bedrijf dat een optische sensor gaat ontwikkelen. "Ik dacht altijd dat je alleen een bedrijf kunt beginnen met veel geld en een wereldschokkend idee." Nederland, Eindhoven, 10-02-11 Tim Koene. © Foto Merlin Daleman
Tim Koene, student elektrotechniek, start binnenkort een bedrijf dat een optische sensor gaat ontwikkelen. "Ik dacht altijd dat je alleen een bedrijf kunt beginnen met veel geld en een wereldschokkend idee." Nederland, Eindhoven, 10-02-11 Tim Koene. © Foto Merlin Daleman

Nederland heeft mensen als Tim Koene hard nodig. Jong, hoogopgeleid, ambitieus en vastbesloten een succesvol ondernemer te worden.

Doet het kabinet-Rutte genoeg om meer mensen zoals hem te krijgen? „Absoluut niet”, zegt Koene, die 24 jaar is en over een half jaar hoopt af te studeren als elektrotechnicus aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hij is de afgelopen twee weken twee keer in zijn mening bevestigd. Eerst kondigde staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs aan dat hij trage studenten gaat beboeten met hoger collegegeld. Dat treft de zware, lange studies aan de technische universiteiten buitenproportioneel zwaar, zegt Koene. En deze week kwam de industriebrief van minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, met daarin plannen om innovatie en ondernemerschap te stimuleren. Koene: „Ik heb amper iets gelezen over initiatieven die tot meer high-tech ondernemingen moeten leiden.” Terwijl ze cruciaal zijn voor economische groei.

Dat blijkt uit Zweeds onderzoek, dat vorig jaar is gepubliceerd. Jonge, snelgroeiende ondernemingen zijn zo goed als helemaal verantwoordelijk voor de netto banengroei in een samenleving. Het gaat nog verder, zegt Mirjam van Praag, hoogleraar ondernemerschap aan de Universiteit van Amsterdam. Snelle groeiers leveren niet alleen een buitenproportioneel grote bijdrage aan de groei van de werkgelegenheid, maar ook aan innovatie en arbeidsproductiviteit.

Het belang van snelgroeiende bedrijven, ook wel ‘gazellen’ genaamd, zal volgens Van Praag alleen maar toenemen vanwege de vergrijzing. Als relatief minder werkende mensen het inkomen van meer gepensioneerden moeten gaan opbrengen, zal de arbeidsproductiviteit omhoog moeten. Gazellen spelen daarbij een centrale rol. Maar Nederland scoort juist op dit gebied internationaal gezien laag. Het aandeel gazellen, gemeten op het totaal aantal bedrijven, is de laatste jaren weliswaar toegenomen van 7 naar 11 procent, maar is nog steeds laag. Zo zitten de Verenigde Staten op een kwart.

Ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam vorige maand tot een sombere conclusie: het is slecht gesteld met het aantal snelle groeiers, en dus met innovatie. In Nederland zijn de laatste jaren relatief veel nieuwe bedrijfjes opgericht, maar erg vernieuwend zijn ze niet. Volgens Van Praag heeft bijna de helft van de zelfstandigen zonder personeel (de zzp’ers) een inkomen onder het minimumloon. Ze opereren in de marge en voegen weinig toe aan de economische groei. Volgens haar zou de bijdrage van deze ondernemers aan de economie groter zijn als ze in dienst zouden kunnen treden bij snelgroeiende bedrijven. Alleen, díe zijn er nu te weinig. Dat stelt ook het CBS vast. Slechts 35 procent van alle bedrijven wordt gezien als ‘technologisch innovatief’. Dat percentage is in de periode 2006-2008 niet gegroeid. Binnen Europa scoren alleen Polen en Spanje slechter. Verder liggen de uitgaven van bedrijven aan onderzoek en ontwikkeling (r&d) in Nederland ver onder het Europees gemiddelde.

Waar ligt dat aan? De oorzaken zijn talrijk, zegt Marco Waas, decaan aan de Technische Universiteit Delft. Er is nog steeds een gebrek aan samenwerking tussen universiteiten, hogescholen en bedrijfsleven. Hoewel de situatie de laatste jaren verbeterd is, verloopt de samenwerking volgens Waas nog vaak „stroef en fragmentarisch”. Ook worden studenten en onderzoekers nog te weinig geprikkeld om te gaan ondernemen. Het midden- en kleinbedrijf zoekt de kennisinstellingen te weinig op. Het overheidsbeleid is veelal gebaseerd op subsidies, en daardoor grillig. Er is een gebrek aan risicokapitaal. In steden als München, Helsinki en Cambridge zijn deze zaken wel goed geregeld. Daarom springen ze er qua innovatie en economische groei uit. In Nederland is de regio rond Eindhoven, met zijn focus op high-tech instrumenten, daarvan een voorbeeld.

Hoogleraar Van Praag erkent de veelheid aan problemen, die de aanwas van snelgroeiende, innovatieve bedrijven tegenhoudt. „De humuslaag in Nederland is niet goed genoeg”, zegt Van Praag, die tevens directeur is van het Amsterdam Center for Entrepeneurship, een initiatief van de Uva, de Vrije Universiteit en de Hogeschool Amsterdam. Volgens haar is die humuslaag, zoals zij het noemt, essentieel om groei te krijgen buiten de gevestigde sectoren, waar de voorzieningen over het algemeen al goed zijn.

In dat opzicht is Ron Boschma, hoogleraar regionale economie aan de Universiteit Utrecht, zich deze week alleen maar méér zorgen gaan maken. Uit de brief van minister Verhagen concludeert hij dat het gevestigde bedrijfsleven meer macht krijgt. Het geld dat beschikbaar wordt gesteld voor r&d – jaarlijks 1,5 miljard euro – wordt verdeeld over negen sectoren. Elke sector wordt geleid door een captain of industry, een topbestuurder uit de industrie. Zo gaat oud KLM-topman Leo van Wijk de sector logistiek aanvoeren. „Die gaat natuurlijk de belangen van de gevestigde vliegtuigindustrie afdekken”, zegt Boschma. Ook vraagt hij zich af waarom de overheid geld blijft pompen in sectoren waarin Nederland al sterk is. Die kunnen zich toch wel zelf bedruipen? Wat is de analyse achter deze verdeling? Het antwoord kent hij eigenlijk al. Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is traditioneel gericht op de gevestigde belangen. Een slechte zaak, zegt Boschma. Multinationals als Unilever, AkzoNobel en Shell houden volgens hem veel vernieuwingen tegen. Met name radicale innovaties die tot totaal nieuwe bedrijfssectoren kunnen leiden. Neem de opkomst van de elektrische auto. Boschma: „Ik zeg wel eens tegen m’n studenten: het zou een zegen zijn voor de Nederlandse economie als Philips failliet gaat.”

In de plannen van Verhagen krijgt het bedrijfsleven ook meer invloed op de onderzoeksagenda van universiteiten. „Dat is echt een brug te ver”, vindt Boschma. Volgens hem zou de overheid juist meer moeten investeren in het samenbrengen van sectoren. Kruisbestuiving. Dat levert de echte innovaties op. Zorg dat werknemers makkelijk kunnen migreren van de ene baan naar de andere, van de ene sector naar de andere. Kennis en innovaties moeten zich kunnen verspreiden. Van Praag is via het Center for Entrepeneurship intussen druk doende om meer studenten en onderzoekers tot het ondernemerschap te verleiden. De meeste universiteiten hebben op dit gebied initiatieven ontwikkeld. Cursussen, incubators voor startende ondernemers, aantrekken van risicokapitaal, begeleiding door succesvolle en aansprekende ondernemers. In Delft heeft het zijn vruchten afgeworpen, zegt Waas. De afgelopen vijf jaar zijn 90 spin-offs opgericht.

De TU Delft zoekt de samenwerking met de Erasmus Universiteit in Rotterdam, met economen en specialisten op het gebied van marketing. Natuurkundige Afric Meijer herkent het nut daarvan. Aan de Radboud Universiteit Nijmegen ontwikkelt hij binnen zijn bedrijf Teraoptronics een nieuw type infraroodcamera, waarmee mensen zijn door te lichten op het bezit van wapens. „Ik heb gemerkt dat ik geen tijd heb om alles zelf te doen”, zegt hij. Daarom heeft hij onlangs een jurist en een commercieel econoom bij zijn bedrijf gehaald. Zij hebben eerder samen een mediabedrijf opgezet en met succes verkocht. En zo probeert ook de TU/e zijn techneuten te koppelen aan bedrijfskundigen van de Universiteit van Tilburg.

Tim Koene vindt dat er nog veel kan verbeteren. Hijzelf kwam er pas in het derde jaar van zijn opleiding achter dat het mogelijk is om als student een bedrijf te beginnen. En daarna duurde het nog een tijd voordat hij zijn vooroordelen had bijgesteld. „Ik dacht dat je alleen een bedrijf kunt beginnen met veel eigen geld en een wereldschokkend idee. En dat je alles van bedrijfskunde moet weten.” Inmiddels weet hij beter. „Het is allemaal niet waar”, zegt hij.

Binnen enkele maanden hoopt hij zijn bedrijf te starten, waarmee hij een nieuw type optische sensor gaat ontwikkelen. Dat is een meetinstrument om de kwaliteit van bijvoorbeeld bruggen, oliepijpleidingen en windturbines te controleren. Bescheiden is Koene niet. Hij wil de strijd aangaan met wereldmarktleider Siemens. „Ik zoek nog een business developer die het met mij aandurft.”