Dit is een artikel uit het NRC-archief

Politiek

Filosofen moeten niet gaan rommelen met principes

Filosoof Coen Simon beweert dat Geert Wilders en advocaat Moszkowicz de rechtsstaat ‘demoniseren’ en het vertrouwen van de burger in de rechtspraak ondermijnen (Opinie & Debat, 5 februari). Hij bespreekt het proces-Wilders vanuit zijn filosofische visie op de rechtsstaat, maar zijn artikel is zo fel tegen Wilders gericht, dat je het als rechtfilosofische beschouwing nauwelijks serieus kunt nemen. Simon ziet in Wilders geen beklaagde, maar de politicus Wilders. In Moszkowicz ziet hij niet de advocaat waar elke verdachte recht op heeft, maar een instrument van de populist Wilders die het volk bespeelt en de rechtsstaat ondermijnt. Deze visie verwerkt hij op dubieuze wijze in een theoretisch betoog.

Het is wat Julien Benda, schrijver van La trahison des clercs (1927), het ‘verraad van de intellectuelen’ noemde. Een filosoof die zijn kennis aanwendt voor een praktisch doel (in dit geval het torpederen van de verdediging van Wilders, een politicus tegen wie Simon zich graag engageert) en daarbij een hoger principe (zoals eerlijke rechtspraak) dreigt te verloochenen. Intellectuelen, schreef Benda, hebben tot taak „eeuwige en belangeloze waarden te verdedigen, zoals rechtvaardigheid en redelijkheid” en mogen deze plicht niet verzuimen „ten gunste van praktische belangen”.

De beoordeling van Wilders’ gedachtegoed is in het juridische getrokken. Nu mag Wilders zich met juridische middelen verdedigen. Laten linkse filosofen in de pen klimmen om dat beginsel kracht bij te zetten. Rommelen met principes, dat is wel het slechtst denkbare antwoord van links op Wilders.

Colin van Heezik

Freelancejournalist, Amsterdam