Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Dertig jaar verloedering

Hosni Mubarak vertrekt na dertig jaar aan de macht te zijn geweest. Hij laat zijn opvolgers een land na dat onder zijn bewind gestaag is gemarginaliseerd. „Egypte besturen is geen picknick”, zei hij er zelf over.

Onder Hosni Mubarak gold Egypte voor de westerse buitenwereld als een rots in de branding, het leidende Arabische land dat het vredesproces met Israël en andere westerse belangen overeind hield. Zonder Mubarak, zei de Israëlische premier Netanyahu, zou Egypte kunnen eindigen met een radicaal-islamitisch regime zoals Iran na de sjah, en zou de vrede in gevaar komen. De nieuwe Amerikaanse president Barack Obama reisde in 2009 niet voor niets naar Kairo om de moslims van de wereld toe te spreken.

In werkelijkheid heeft Egypte onder ex-president Hosni Mubarak alleen maar aan gewicht verloren. Vroeger, onder president Gamal Abdel Nasser, de grote voorvechter en held van het socialistisch Arabisch nationalisme, was Egypte inderdaad de leider van de Arabische wereld. Door zijn vrede met Israël in 1979 plaatste Anwar al-Sadat Egypte al buiten de gevestigde Arabische orde.

Het regime van Sadats loyale plaatsvervanger Mubarak, dat in 1981 aantrad, marginaliseerde het land. Er is geen leider meer van de Arabische wereld, misschien een collectief leiderschap waarvan Egypte dan naast Saoedi-Arabië en Jordanië deel uitmaakt. Het niet-Arabische Turkije spreekt tegenwoordig met meer gezag namens de Midden-Oosterse regio.

De afkalving van het Egyptische gezag weerspiegelt de verstening van de maatschappij. Ex-piloot en ex-luchtmachtcommandant Mubarak vervolmaakte de ontwikkeling van Egypte als een veiligheidsstaat waar de burgers geen stem hadden en elk protest in een cordon oproerpolitie werd gesmoord. Het systeem was de erfenis van de ‘Vrije Officieren’ die in 1952 de macht grepen. Op school leert de bevolking niet een onafhankelijke mening te formuleren, maar gehoorzaam te zijn, zo bevestigen achtereenvolgende Arab Human Development Reports. Wie toch zijn stem verhief om te protesteren ging de cel in en werd standaard gemarteld, zoals dissidente journalisten, bloggers en andere activisten hebben meegemaakt. Lees de jaarlijkse rapporten van mensenrechtenorganisaties en zelfs het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, Mubaraks bondgenoot.

Mubaraks officieel seculiere bewind pakte de seculiere oppositie hard aan, zodat er nu alleen nog ongevaarlijke nasseristische, marxistische, conservatieve en liberale snippers over zijn. Westerse steun voor zijn repressie vroeg en kreeg het regime onder verwijzing naar de mogelijkheid van een machtsovername door de fundamentalistische Moslimbroederschap. Deze is sinds jaar en dag verboden onder de grondwet, die religieuze partijen uitsluit. Zij kan zich echter handhaven omdat zij de moskee als basis heeft en door haar publieke diensten, sociale zorg, ziekenhuizen, scholen en vuilophaal, die de corrupte overheid niet of slecht biedt.

Om de steun voor de Broederschap onder de gefrustreerde burgers te ondergraven stimuleerde Mubarak een gevaarloze islamisering van de maatschappij. De moskeeën zijn overvol. Op straat dragen alleen westerse toeristes en christelijke vrouwen – en Mubaraks vrouw Suzanne – geen hoofddoek meer en zelfs de niqaab, de gezichtssluier, rukt snel op. Studentes vechten bij de rechter niet voor het recht om zich uit te spreken maar om de niqaab te dragen. Coach Hassan Shehata van het nationale voetbalelftal maakte vorig jaar bekend zijn team evenzeer te selecteren op voetbaltalent als op vroomheid. „Ik streef er altijd naar dat degenen die het Egyptische nationale shirt dragen een goede verstandhouding met God hebben.”

Op advies van zijn zoon Gamal, een in Londen gevormde bankier, introduceerde Mubarak industriëlen in zijn kabinet die de economie liberaliseerden. Dat leidde inderdaad tot een gezond groeipercentage: 6 procent in 2010. Maar het zijn de zakenlieden en de strijdkrachten, die behalve in de wapenindustrie ook in toenemende mate bij civiele projecten zijn betrokken, die er het meest van hebben geprofiteerd. De economische groei is niet doorgesijpeld naar het volk, waarvan bijna de helft net boven of onder de armoedegrens verkeert. De lonen zijn laag en de voedselprijzen stijgen.

Egypte staat op plaats 101 van de menselijke ontwikkelingsindex van de Verenigde Naties. Om de situatie aanschouwelijk te maken: op 1.000 Egyptenaren zijn er 29 autobezitters, tegen 73 in Tunesië en 58 in Algerije. In Nederland zijn het er ongeveer 500.

Egypte heeft net als de meeste andere Arabische landen een heel jonge bevolking. Geboortebeperkingsprogramma’s hebben wel effect gehad, maar onvoldoende. Veel jongeren vinden geen werk en kunnen niet trouwen. In het overvolle, verkommerde appartement van hun ouders worden ze op de tv geconfronteerd met de soap van de superrijke projectontwikkelaar Hesham Talaat Moustafa, die zijn ex-vriendin, een Libanese popzangeres, in Dubai liet vermoorden. Hij werd eerst ter dood veroordeeld, maar kreeg afgelopen najaar in hoger beroep 15 jaar wat na aftrek op een paar jaar neerkomt. „Dit is het resultaat van het huwelijk tussen het regime en de rijken”, zei de hoofdredacteur van de oppositiekrant Al-Arabi, Abdullah al-Sinnawi. „Het regime wil zijn mensen beschermen.” Moustafa was een vertrouweling van Mubarak en invloedrijk lid van diens regeringspartij.

Tien dagen geleden zei IMF-chef Dominique Strauss-Kahn tegen de Amerikaanse zakenzender CNBC afgelopen zomer te hebben gewaarschuwd dat de jeugdwerkloosheid in Egypte, 34 procent, „een tikkende tijdbom” vormde. Ondanks de positieve macro-economische cijfers was het volgens hem onmogelijk de grote ongelijkheid te negeren. „Zo’n hoog niveau van werkloosheid, vooral jeugdwerkloosheid, en zo’n grote mate van ongelijkheid in het land scheppen een sociale situatie die in onrust kan eindigen.” Maar zoals al de Amerikaanse ambassadeur in Kairo, Margaret Scobey in een uitgelekte boodschap aan het State Department meldde: Mubarak hield niet van kritiek; hij had „weinig tijd voor idealistische doelen”.

De woede tegen zijn regime ontbrandde door het Tunesische voorbeeld. „Miljoenen gewone Arabieren drukten uiteindelijk hun menselijkheid uit, eisten hun rechten op en namen de controle over hun nationale toestand en bestemming”, schreef de Libanese publicist Rami Khoury vorige week. „Nooit hebben we meegemaakt dat hele Arabische bevolkingen opstonden en eisten dat ze hun leiders mochten aanwijzen, vorm geven aan hun regeringssysteem en de waarden bepalen voor de binnen- en buitenlandse politiek. Nooit hebben we autonome en vrije Arabische burgers gehad.”

„Dit is een revolte tegen specifieke Arabische leiders en regerende elites die een beleid hebben uitgevoerd dat de meerderheid van de Arabieren heeft ontmenselijkt, verpauperd, tot slachtoffer heeft gemaakt en gemarginaliseerd”, schreef Khouri. Maar het is volgens hem ook een opstand tegen de westerse mogendheden die deze leiders daartoe in staat hebben gesteld.

„Egypte besturen is geen picknick”, zei Mubarak een paar jaar geleden. „Je hebt beperkte middelen, een hoge bevolkingsgroei en de eisen van het volk.” Zijn opvolgers erven 80 miljoen burgers, van wie 30 procent analfabeet is en nog eens 50 procent slecht opgeleid, die nu onmiddellijke verbetering van hun lot eisen. Een kruitvat.