Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

De eigen taal als vreemdeling

Marita Mathijsen

Ik heb historische teksten wel eens vergeleken met kinderen die je moet opvoeden. Ze deugen, maar er moet nog het een en ander aan gebeuren voordat ze de wereld in kunnen. Ik heb ze ook wel eens vergeleken met dementerende bejaarden die naar het verzorgingshuis moeten. Een tekst gaat achteruit naarmate hij ouder wordt. Ik heb het wel eens gehad over botoxinjecties.

Er is nog een vergelijking die opgaat. Oude teksten zijn vreemdelingen geworden die een inburgeringscursus moeten doorlopen. De taal van het verleden komt steeds verder van ons af te staan. Moeten we die vreemdeling illegaal verklaren, de eigen identiteit van die vreemde tekst verbieden, hem met een enkeltje terug naar het verleden sturen? Of stellen we ons open voor de oude tekst en proberen we hem zo te laten spreken dat hij kan functioneren in het hedendaags Nederlands en een verblijfsvergunning in het heden krijgt? Als het de historische tekst net zo moeilijk gemaakt wordt als de inburgeraar die een verblijfsvergunning nastreeft, ziet het er niet best uit.

Er zijn voldoende historische teksten die nog direct tot de hedendaagse lezer spreken. Hamlet, Medea. Ik zag een prachtige voorstelling van Vondels Lucifer door Theater Zuidpool met een magistrale hoofdrol van Jan Decleir. In Vlaanderen werd het stuk 21 keer opgevoerd, van Turnhout tot Brussel. Daar steken de drie voorstellingen in Nederland wel schamel bij af, maar dat terzijde. Het verraderlijke van mijn voorbeelden zit hem erin dat ik toneelstukken noem. Toneelstukken winnen het wat eeuwigheidswaarde betreft van poëzie en proza, puur en alleen doordat ze door hedendaagse mensen opgevoerd worden, vaak in een hedendaagse taalbewerking, in een hedendaags decor, met stemmen van nu en gestalten van nu met bewegingen en intonaties die we herkennen. Zodra je een oude Hamlet-film ziet, is er meteen weer een tijdsafstand die maakt dat we wel geamuseerd kijken naar het stuk, maar niet meer gegrepen worden. Zelfs de gebaren van mensen blijken tijdgebonden te zijn. Kijken naar ouderwetse bewegingen creëert een historische afstand, die moeilijk te overbruggen is. Maar bij een toneelopvoering geldt dat veel minder.

Er zijn ook romans uit het verleden die nog steeds gelezen worden: de boeken van Victor Hugo, Charles Dickens, Cervantes. Moderne en historische literatuur uit het buitenland profiteert hier in Nederland van een uitstekende vertaalcultuur, met gedegen opleidingen voor vertalers en subsidies die toegekend worden aan literaire vertalingen van hoge kwaliteit.

Maar de historische literatuur van Nederland zelf profiteert niet genoeg van de mogelijkheden die er zijn om die teksten weer in te burgeren. Mijn collega-hoogleraar Europese letterkunde verbaast er zich steeds opnieuw over hoe weinig trots wij op de Nederlandse literatuur zijn. Hij heeft gestudeerd in Duitsland en leerde de Nederlandse klassieken pas na zijn studententijd kennen. Onlangs had hij De stille kracht van Couperus gelezen en hij beschouwt het als een novum in de Europese letterkunde van toen. Ver voordat er elders over geschreven werd, laat Couperus al zien hoe de kolonialen zelf afbrokkelen door het kolonialisme. Het klassiekenbewustzijn in Nederland is slecht ontwikkeld, vergeleken met andere Europese landen, vindt hij. Ik moet hem knarsetandend gelijk geven.

Toch zijn er de laatste tijd een paar heel aardige initiatieven geweest om oudere teksten toegankelijker te maken. Ik heb veel leraren de lof horen tuiten van de nieuwe hertaling van Max Havelaar door Gijsbert van Es. Het Vossius-gymnasium heeft nu besloten voor alle leerlingen de Max Havelaar voor te schrijven in de vijfde klas. Geen uitwegen meer met Saidjah en Adinda, gewoon de hele Max Havelaar, zij het in de herschreven versie. De oorspronkelijke komt dan later wel. Tot de aardige initiatieven horen ook de bijzonder mooi geïllustreerde Woutertje Pieterse van Jan Kruis.

Maar het blijft bij incidentele projecten. Het is voor de waardering van de Nederlandse klassieken helaas nodig om zwaardere maatregelen te nemen. Zouden we er goed aan doen om de oude letterkunde van Nederland op dezelfde manier te beschouwen als buitenlandse oudere meesterwerken? De taal is ons vreemd geworden, en dus zou er een oplossing gevonden kunnen worden in vertalen, of hertalen zoals dat voor omzettingen van oud-Nederlands naar modern Nederlands heet. Natuurlijk moeten de oorspronkelijke teksten beschikbaar blijven voor neerlandici en voor de lezers die het historisch Nederlands nog aankunnen. Maar van de gemiddelde lezer kan niet meer geëist worden dat hij zeventiende-eeuws leest. Zo’n hertaling zou gemaakt moeten worden door een specialist die geschoold is in het oude Nederlands, maar tegelijkertijd de creativiteit van een literaire vertaler heeft.

Een tijd lang dachten neerlandici en uitgevers dat het voldoende zou zijn als een oude tekst alleen in moderne spelling overgezet zou worden. Dat werkt echter niet. Herspellen raakt alleen de uiterlijke vorm van de taal; de werkelijke problemen liggen elders. Aan de kwaliteit ligt het niet. Betje Wolff en Aagje Deken zijn echt niet de minderen van Connie Palmen en Nicolaas Beets observeert even aardig als Ronald Giphart. Wel is er een probleem bij de thematiek. Er zijn nu eenmaal onderwerpen die ver van ons af zijn komen te staan. Liefde, seks, verraad, jaloezie, dood, bedrog – dat zijn zaken van alle tijden en daar kun je elke lezer voor winnen als een schrijver daaromheen een mooi verhaal heeft geweven. Maar als een romanpersonage een opdracht van God krijgt, begrijpen we dat dan nog? Oudere literatuur is wat dat betreft niet te vergelijken met oudere muziek: van Mozart kun je ook genieten als je geen havo-diploma hebt, Marieken van Nimwegen is alleen te begrijpen als je op school historische kennis bijgebracht is. Hoe goed een hertaling ook is: zonder kennis van de denkwijzen van het verleden redt een tekst het niet. En die moet je op school bijgebracht krijgen. Maar dat geldt net zo goed voor Shakespeare als voor Bilderdijk.

Vijftien jaar geleden was ik nog een tegenstander van het aanpassen van historische teksten aan moderne lezers. Uitgevers waren toen nog bereid om historische werken uit te geven en er waren nog lezers voor. Dat is veranderd! Er bestaat geen klassiekenreeks meer, de lezer heeft afgehaakt. Of dat nu aan al die spellingshervormingen ligt, aan het veranderde literatuur- en geschiedenisonderwijs of aan de gigantische toename van lichte leeskost valt moeilijk te zeggen. Maar de kop in het zand steken heeft geen zin. Vondel, Hooft, Bilderdijk, Beets, Heijermans en Couperus: samen naar de inburgeringscursus.

Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.