Seminarist op de vlucht

Thimothée de Fombelle: Vango. Tussen hemel en aarde. Vertaald door Eef Gratama, Querido, 384 blz. € 16,95

Sommige auteurs zijn goed in mensen en sommige zijn goed in plots. De Franse auteur Thimothée de Fombelle behoort zonder enige twijfel tot de laatste groep, getuige zijn duizelingwekkende, historische avonturenroman Vango, die hij overtuigend situeert in de roerige jaren tussen de wereldoorlogen: Duke Ellington klinkt door de radio, Charlie Chaplin schittert op het witte doek, luchtschipcommandant Hugo Eckener voltooit de eerste zeppelinvlucht rond de wereld (1929) en Hitler en Stalin consolideren hun macht.

Zelden in zo’n razende vaart en op zo’n spectaculaire wijze zoveel kleurrijke personages – heen en weer springend in tijd en compleet met levensgeschiedenis – in volle actie de revue zien passeren. En al die levens, deels verzonnen deels historisch, blijken door de loop van de geschiedenis met elkaar verweven te zijn, onder het motto dat in onze onvolmaakte wereld het toeval heerst.

Spil van dit bruisende, overvolle verhaal is Vango Romano, een wees die is opgegroeid op Salina met ‘drie verzorgsters: vrijheid, eenzaamheid en Mademoiselle’. Deze meertalige dame van Russische afkomst is zijn kinderjuffrouw. Met haar is Vango in 1918 als driejarige op het Eolische eiland aangespoeld. Het enige wat hem herinnert aan zijn verleden is een zijden zakdoek met zijn naam en de woorden ‘combien de royaumes nous ignorent’ (Blaise Pascal).

Vanaf het begin, wanneer Vango als negentienjarige seminariestudent beschuldigd wordt van moord op een monnik, door een sluipschutter wordt beschoten, via de gevel van de Notre-Dame ontsnapt en de politie tart, is duidelijk dat Vango wordt achtervolgd door het mysterie van zijn verleden.

Wie is ‘de wilde jongen uit Pollara’ die ‘de kracht van de overlevenden heeft? Wie is ‘deze kameleon, deze globetrotter’, die ongemerkt uit een zeppelin kan verdwijnen, omdat hij de beschermeling is van Hugo Eckener en zijn vriend ‘padre’ Zefiro? Wie is deze ‘Vogel’ die wordt opgejaagd door de Russische maffia van Stalin en de karikaturale commissaris Boulard wiens ‘paraplu het fundament van zijn beschaafdheid’ vormt ?

De Fombelle is een rasverteller. Hij antwoordt niet, maar suggereert. De helden onderscheidt hij duidelijk van de boeven. En net als in zijn succesvolle ecologische fantasy over het boommannetje Tobie Lolness, spat het pretentieloze vertelplezier van de bladzijden en geeft zijn licht ironische toon ruimte aan het verhaal, dat leest alsof je naar een film kijkt.

Beelden van nachtelijk besneeuwd Parijs, opstijgende zeppelins en paradijselijke eilandjes die als ‘confettisnippertjes’ verspreid in zee liggen, worden afgewisseld met woeste jachtpartijen, treinachtervolgingen, steekgevechten en existentiële overpeinzingen van Vango en Ethel, die je in je hart sluit wanneer ze elkaar in de kerstnacht van 1935 vinden: een cliffhanger die je opwarmt voor het slotdeel.