Onterechte angst voor opslag CO 2

De publieke opinie keert zich tegen de ondergrondse opslag van kooldioxide. Wat goed moest zijn voor het milieu, is uitgemond in volksangst. Kan een konijn sterven door een CO2-lek?

Een paar weken geleden verschenen in Canadese kranten verontrustende verhalen over een mogelijk lek in een van de grootste commerciële opslagplaatsen voor kooldioxide ter wereld, in het Weyburn olieveld. Er stonden foto’s bij van het landgoed van de familie Kerr, die hun huis waren ontvlucht omdat ze zeiden te vrezen voor hun leven. De afbeeldingen toonden algenbloei in vijvers, een schuimlaag aan de waterkant en dode dieren die waren gevonden op het landgoed. Het bedrijf dat het olieveld beheert ontkende dat er een lek was, maar nam de zaak serieus genoeg voor nader onderzoek.

Bij CATO-2, het Nederlandse onderzoeksprogramma voor de opvang en opslag van CO2, wordt de Canadese affaire zorgvuldig gevolgd. In Nederland groeit de weerstand tegen CO2-opslag. Overheid en bedrijven willen deze technologie gebruiken om te voldoen aan de eisen van het klimaatbeleid voor het terugdringen van de concentratie van broeikasgassen zoals kooldioxide. Europa wil bovendien dat nieuwe kolencentrales hun CO2 niet langer zomaar in de atmosfeer lozen, maar in de bodem opslaan. Een lek in Canada is daarom wel het laatste waar de voorstanders van de CO2-opslag op zitten te wachten.

Vorige week was Malcolm Wilson, directeur van het Petroleum Technology Research Centre (PTRC) dat het Canadese lek onderzoekt, in Nederland voor overleg met de mensen van CATO-2. Volgens Wilson is er in Canada niets aan de hand. Zeker, de concentratie van kooldioxide in de bodem is hoog. Maar dat heeft niets te maken met de CO2-injecties in het olieveld. De natuurlijke concentratie was al hoog voordat de injecties begonnen. „Het gebied is in de zomer heel droog en heet. In het water zitten veel voedingsstoffen. Dat verklaart de algenbloei en de schuimlaag”, zegt Wilson. „Als ik in de zomer in mijn bootje over het meer vaar, is het water blauwgroen. Het zit vol blauwalgen. Als dieren daar te veel van drinken kunnen ze doodgaan.” Wilson maakt de kanttekening dat bij de dode dieren die op het landgoed van de familie Kerr zijn gevonden ook konijnen zaten. „Als die zijn gestorven door een CO2-lek, zoals de Kerrs beweren, zou dat zijn gebeurd terwijl ze in hun hol onder de grond zaten.”

Er zijn volgens Wilson meer aanwijzingen dat het verhaal van de familie Kerr, die onderzoek hebben laten doen door een onafhankelijk adviesbureau, niet klopt. „Zij zeggen dat ze hun huis zijn ontvlucht omdat een concentratie van 11 procent CO2 dodelijk is voor mensen. Dat is waar. Maar alleen als die 11 procent de concentratie zou zijn in de atmosfeer. De kooldioxide zit veilig opgeborgen in de grond. Als die al vrij zou komen, zou die zich in de atmosfeer heel snel verspreiden, en is er nog steeds geen gevaar.”

Zelfs als er in Canada wel iets aan de hand zou zijn, zegt dat weinig over de CO2-opslag in de Nederlandse bodem, meent Jan Brouwer, die namens het onderzoeksinstituut TNO het CATO-2 project in goede banen moet leiden. De omstandigheden zijn niet vergelijkbaar. In Canada is de opslag van kooldioxide geen doel op zich, maar een middel om de olie in het Weyburn-veld onder druk te zetten en beter winbaar te maken. Daarnaast is er een groot verschil in de samenstelling van de bodem. „In Noord-Nederland zou de CO2 geïnjecteerd worden in gasvelden. Die bevinden zich op een diepte van enkele kilometers onder een honderden meters dikke, ondoordringbare gasdichte laag steen en zout. Het aardgas is er in miljoenen jaren niet uitgekomen.” Kooldioxide is weliswaar niet hetzelfde als aardgas, maar veel van de gasreservoirs bevatten van nature een grote hoeveelheid CO2, zegt Brouwer. „Ook deze kooldioxide zit al miljoenen jaren gevangen in de ondergrond.”

Dat Brouwer zich toch zorgen maakt over een mogelijk lek in de Canadese opslag, heeft dan ook vooral te maken met perceptie. Daarin is volgens Brouwer veel veranderd sinds de vorige regering onder druk van de publieke opinie besloot dat de opslag van CO2 in Barendrecht niet doorgaat. Brouwer wil geen oordeel geven over politieke beslissingen, maar wetenschappelijk was er volgens hem geen enkele reden om de opslag in Barendrecht te staken.

„Nu vragen mensen in Noord-Nederland zich af waarom zij de CO2-opslag wel moeten dulden.” Terwijl het, zegt Brouwer, heel veilig kan. „We weten hoeveel gas we eruit hebben gehaald. We kunnen bepalen hoeveel CO2 we er veilig in de bodem kunnen laten stromen. Bovendien bestaat er in die gasvelden nu een onderdruk, waardoor de kooldioxide er als het ware vanzelf naartoe zal stromen.” En, voegt Brouwer eraan toe, als je het niet in de grond stopt, dan moet het de lucht in. En dat is schadelijk voor het milieu.

Malcolm Wilson sluit niet uit dat een CO2-opslagplaats ooit gaat lekken. „Maar als er van de duizend opslagplaatsen één of twee een beetje lekken, is de opslag vanuit klimaatperspectief zeer effectief.” Volgens hem kan een lek alleen grote milieuschade opleveren als de lekkage heel geconcentreerd is. „De kans daarop is uiterst gering. Als het gebeurt bij een boorgat, dan is het lek te dichten”, zegt Wilson. Dat is moeilijker bij een lek in een natuurlijke scheur in de bodem. Maar in dat geval is de concentratie CO2 die vrijkomt volgens hem waarschijnlijk veel geringer en zijn er nauwelijks gezondheidsrisico’s. „En dan zou je in theorie de CO2 altijd nog kunnen verwijderen. Een kostbare operatie, maar niet onmogelijk.”

In vergelijking met de situatie in Nederland, is de bodem van Weyburn een vergiet. Er zitten zeker duizend boorgaten in een gebied van ruim honderd vierkante kilometer. „Als wij kunnen laten zien dat Weyburn veilig is”, zegt Wilson, „dan zijn de meeste andere plekken in de wereld dat ook”.