Het nieuwe muziektalent stroomt toe

Blader maar eens door de namenlijst van het Concertgebouworkest. Nederlandse musici te over. Nederlands Philharmonisch Orkest: tweederde Nederlandse musici. „Dat koesteren we”, zegt orkestdirecteur Rob Streevelaar. Maar het is goed zoeken naar Nederlandse musici van het gewenste niveau. Komend seizoen begint het orkest met stageplaatsen, om studenten in eigen kweek klaar te stomen voor het orkestbedrijf. Het Concertgebouworkest heeft een vergelijkbare orkestacademie. „Jonge musici hebben geen idee van orkestspel in de praktijk”, zegt Streevelaar. „Hun opleiding voorziet daar niet in. Maar de instrumentale kwaliteiten zijn meestal dik in orde.”

Kwalitatief is er – nog altijd – weinig mis met de Nederlandse conservatoria. Dat was ook de conclusie van de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), verantwoordelijk voor een recente visitatie. Maar er rommelt van alles en er dreigt veel. Recente bezuinigingen leidden tot verschraling van het aanbod. De regeling voor langstudeerders werd afgeschaft. De spijtoptant die na twee jaar geschiedenis toch begint aan een opleiding fluit heeft zelf nog maar twee jaar studiefinanciering over, maar ook het conservatorium ontvangt voor zo’n zij-instromer nog maar twee jaar bekostigingsgeld. Dat leidt tot verliezen. Ook voor studenten van buiten de EU wordt de bijdrage afgebouwd.

Aan sommige conservatoria leidde dat ertoe dat je vakken er niet meer kunt studeren. Hoornist worden in Utrecht gaat niet meer. Ook liep aan de meeste conservatoria de lestijd terug – jaarlijks twee lesweken minder. Of de wekelijkse lessen aan hoofdvakstudenten werden bekort van 75 minuten tot een uur. Dat was en is aanleiding tot gemor.

Moet het anders? Kan het anders? Een groot probleem, zo signaleren alle betrokkenen, vormt de slechte toestand van het lagere Nederlandse muziekonderwijs. Gewone muziekscholen zijn er steeds minder en wat ze bieden is onvoldoende voor wie echt wat wil op zijn instrument. Aan de conservatoria Amsterdam en Den Haag zijn buitenlandse studenten in de meerderheid. „Men zegt dan: waarom moeten wij buitenlanders opleiden die vervolgens wegstromen naar een baan in eigen land?” zegt Andries Mulder, oud-directeur van het conservatorium in Amsterdam. „Maar Nederlands talent is zo schaars dat we ze nodig hebben om onze topconservatoria te behouden. Zonder buitenlandse studenten zou het niveau hard omlaag gaan.”

Nederland telt nu negen conservatoria die samen goed zijn voor zo’n vijfduizend musici in opleiding. Ook Henk van der Meulen, directeur van het prestigieuze Koninklijk Conservatorium in Den Haag, vindt de aanwezigheid van 60 procent buitenlandse studenten op zijn school alleen maar goed. „Het muziekleven ís internationaal. 80 procent van onze alumni vindt een baan in de muziek, meer dan bij menig universitaire studie. Kun je studenten verwijten dat ze op de hoge kwaliteit van onze opleidingen afkomen?”

Volgens Van der Meulen, en hij verwoordt de mening van vrijwel alle musici en docenten, ligt het probleem vooral bij de vooropleidingen. „We moeten de toestroom van jong talent zien aan te wakkeren. Wij hebben een speciale school voor toptalent vanaf tien jaar, maar eigenlijk moet elk muzikaal kind passend onderwijs kunnen vinden binnen vijftig kilometer van zijn huis. Ik kijk graag naar het Franse piramidemodel: goede vooropleidingen, flink wat regionale bacheloropleidingen en maar een zeer select aantal masteropleidingen, voor die schaarse topmusici. We moeten niet allemaal alles willen.”

Onzin, vindt Chris Fictoor, directeur van het Conservatorium in Groningen en vicepraeses van de Europese Associatie van Conservatoria. Hij begint in september zijn eigen master, zonder subsidie van OC en W. „Een conservatorium is zijn naam alleen waard als je een volwaardige opleiding biedt: bachelor, master én een derde cyclus waarin je kunt promoveren. Zo’n instituut moet je in elke regio hebben. Een situatie met één of twee massale masteropleidingen in de Randstad is helemaal geen goed idee; studenten verdwalen er. Waar ik wel in geloof is meer spreiding van het aanbod, meer samenwerking en een duidelijker profilering per opleiding. Je hoeft niet overal beiaard of orkestdirectie te kunnen studeren.”

Fictoor staat op één lijn met de conclusies van de commissie-Dijkgraaf: „Als iedereen alles pretendeert te kunnen doen, zal niemand iets werkelijk realiseren. Middelmatigheid zou dan de toon zetten, terwijl excellent, onderscheidend aanbod de norm is.”

Fictoor typeert het profiel van Groningen als „onderwijs dat aansluit op de veranderende beroepspraktijk”. „Goed spelen is de essentie, maar wij bieden ook modules in educatie, in het leiden van workshops. Die enge blik op de praktijk, waarin de hele dag vioolspelen genoeg is, werkt niet meer.”

Dat zegt ook Andries Mulder, pas weg als directeur van het Conservatorium in Amsterdam. Zijn overtuiging: je moet studenten niet in de waan laten dat ze jonge mensen zijn op weg naar het concertpodium als dat niet zo is. Maar zijn plannen om de opleiding realistischer te maken, leidden al na acht maanden tot zijn vertrek.

Mulders vroegtijdig vertrek toont de verwarring binnen het muziekvakonderwijs. Het technisch niveau steeg, maar de eisen van de markt ontwikkelden zich óók.

Mulder: „Het lijkt me niet wenselijk dat je studenten in een ivoren toren voorbereidt op een toekomst die niet komt. Ben jij niet de nieuwe Janine Jansen? Misschien kun je je tijd dan beter ook investeren in het opdoen van pedagogische kwaliteiten. Aan goede docenten is veel behoefte.”

Vervolg zie pagina 8: Toneelopleiding