Bescherming van Bahrami was onmogelijk

Minister Rosenthal had betere diplomatieke bescherming moeten bieden aan de door Iran geëxecuteerde Zahra Bahrami, luidt de kritiek. Was hij daar dan wel toe gerechtigd? Nee, stelt H.U. Jessurun d’Oliveira.

Zahra Bahrami is gedood en begraven. Zij was een van de meer dan honderd mensen die in januari werden geëxecuteerd in Iran. De rechtszaak en de tenuitvoerlegging van het doodsvonnis, terwijl een hoger beroep nog aanhangig was en een tweede strafzaak nog liep, hebben vooral in Nederland geleid tot grote ophef.

Van origine was Bahrami Iraanse. Ze had, na in de jaren negentig in Nederland te zijn erkend als vluchteling, de Nederlandse nationaliteit gekregen, zonder daardoor de Iraanse nationaliteit te verliezen. Al in augustus 2010 waren Kamervragen gesteld aan minister Verhagen (CDA, toen Buitenlandse Zaken), de zelfverklaarde kampioen van de mensenrechten. Na haar executie had minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) veel uit te leggen over de diplomatieke en consulaire inspanningen op zijn ministerie om Bahrami bij te staan.

Alle media hebben van het begin af aan trouwhartig gemeld dat Iran de Nederlandse nationaliteit van de vrouw niet erkent en daarom geen Nederlandse bemoeienissen aanvaardt. Daarbij is onderbelicht wat dat betekent en of het klopt.

De Iraanse president Ahmadinejad heeft in een interview verklaard dat Allah maar één nationaliteit erkent en dat Nederlandse interventies daarom waren uitgesloten, maar Allah heeft hier niet het laatste woord. Het gaat hier om twee volkenrechtelijke leerstukken – dat van wederzijdse erkenning van nationaliteit dat van de diplomatieke bescherming.

Wat het eerste betreft: een in veel uitspraken en traktaten vastgelegde regel bepaalt dat alle andere staten de nationaliteit moeten erkennen die een staat aan iemand heeft toegekend, voor zover dit in overeenstemming is met de volkenrechtelijke begrenzingen van het nationaliteitsrecht. Iran is volkenrechtelijk dus verplicht om ook de Nederlandse nationaliteit van mevrouw Bahrami te erkennen, ook al weigert zo’n theocratie daaraan het verlies van de Iraanse nationaliteit te verbinden. Zij heeft dus een dubbele nationaliteit.

Nu komt de tweede kwestie. Elke staat heeft het recht om op te komen tegen andere staten wegens schendingen van de rechten van zijn staatsburgers. Wat als iemand twee nationaliteiten bezit?

Nederland is partij bij een onder auspiciën van de Volkenbond tot stand gebracht verdrag uit 1930 dat uitdrukkelijk stelt dat „een staat zijn diplomatieke bescherming niet kan uitoefenen ten gunste van één van zijn onderdanen tegenover een staat waarvan deze persoon eveneens de nationaliteit bezit.” Iran is geen partij in dit verdrag, maar de Nederlandse ratificatie duidt erop dat Nederland – naar zijn eigen inzicht – helemaal niet het recht heeft om zijn diplomatieke bescherming uit te oefenen tegen Iran.

Als de gedachten hierover inmiddels zijn geëvolueerd, wat ik toejuich, dient Nederland daaraan uitdrukking te geven door het verdrag van 1930 op te zeggen en het opnieuw te ratificeren onder uitzondering van de geciteerde bepaling.

Inderdaad bestaan allerlei documenten die wijzen op een gewijzigd inzicht in dit verbod. Het Europees Nationaliteitsverdrag van 1998 meldt dat een staat in bijzondere gevallen wél diplomatieke hulp en bescherming mag bieden tegenover de andere staat. Het genoemde voorbeeld daarbij is kinderontvoering.

De International Law Commission, een orgaan van de VN, heeft in 2006 een ontwerp gemaakt waarin het verbod om op te treden tegen de andere nationale staat wordt verzacht. Die bescherming moet dan wel uitgaan van de staat waarvan de nationaliteit de sterkste is vergeleken met de andere nationaliteit. Het is de vraag of dat voor mevrouw Bahrami Nederland was. Zo woonde zij sinds 2006 in Engeland en bezat ze de Nederlandse nationaliteit nog niet zo lang.

Zo vanzelfsprekend is het uitoefenen van diplomatieke bescherming in dit treurige geval dus niet. Dat staat los van het oordeel over de slapte van de uitgeoefende diplomatieke bescherming.

H.U. Jessurun d’Oliveira is emeritus hoogleraar migratierecht aan de Universiteit van Amsterdam.