Iedereen bedriegt zichzelf

Hersenspinsels duiden lang niet altijd op gekte. In zijn nieuwste boek laat hoogleraar psychiatrie André Aleman zien dat één op de zes mensen wel eens dingen ziet die er niet zijn.

Girl sitting on stone steps
Girl sitting on stone steps Millennium/Hollandse Hoogte

Sommige collega’s reageerden lacherig: hallucinaties bepaald geen uitzondering onder normale, gezonde studenten? Ja, in Holland! Amsterdam, coffeeshops. Haha. Maar wat André Aleman in 1998 vaststelde, bleek ook elders een feit. Wanen en hallucinaties hoeven geen teken van gekte te zijn. Ongeveer één op de zes mensen hoort wel eens een stem die er niet is of ziet wel eens iets wat in de werkelijkheid niet bestaat.

„Het is een glijdende schaal”, zegt Aleman (1975). Hij is hoogleraar cognitieve neuropsychiatrie in Groningen – een nog nieuw terrein, dat psychiatrische problemen op hersenniveau probeert te doorgronden. „Als het doorschiet, heb je de pech ziek te worden en bijvoorbeeld de diagnose ‘schizofreen’ te krijgen. Dat gebeurt uiteindelijk bij één op de honderd mensen. Maar de ingrediënten die daartoe leiden, zitten in ons allemaal.”

Die ingrediënten stalt Aleman één voor één uit in zijn boek Hersenspinsels: Waarom we dingen zien, horen en denken die er niet zijn, dat vandaag verschijnt. Daarin weet hij verontrustend goed aannemelijk te maken dat het meisje dat zich achtervolgd wist door ratten, de patiënt die een kabouter op Alemans schouder zag en de man die nodig naar Amerika moest om de president van advies te dienen, in feite ook voor ons dichtbij liggen. Dat is ook zijn boodschap: „Vooral wegens het stigma, dat de laatste tijd is toegenomen. De tijdgeest maakt outcasts van alle vreemdelingen. Maar het gaat om verklaarbare dingen.”

Iedereen wordt bedrogen door zichzelf, laat Aleman zien. Onze hersenen maken van de holle kant van een gezichtsmasker, of we nu willen of niet, toch altijd een bolle. Een zorgvuldig ingelast kuchje in een woord horen we niet. We vullen aan, we vullen in. De jas en de hoed in de gang lijken heel even een mens. Een cirkel te midden van kleine cirkeltjes lijkt groter dan diezelfde cirkel omgeven door grotere cirkels. Vraag ons goed te letten op het overspelen van een bal in een filmpje en we zien een man in een gorillapak, die er dwars doorheen loopt en zich nog even op de borst roffelt, totaal over het hoofd. Onze binnenwereld is niet dezelfde als de buitenwereld.

„We zeggen: zien is geloven, maar het omgekeerde is waar”, stelt Aleman. Het is een van de rode draden in Hersenspinsels. Een ander voorbeeld van geloven-is-zien is een experiment uit begin jaren zeventig, toen acht kerngezonde vrijwilligers zich lieten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze moesten zich daar volkomen normaal gedragen, en proberen zo snel mogelijk weer ontslagen te worden. Alleen bij aankomst mochten ze één keer liegen: ze beweerden stemmen te horen die ‘leeg’, ‘hol’ en het niet-bestaande woord thud zeiden.

Allemaal kwamen ze moeiteloos binnen, met de diagnose ‘schizofreen’. Wat ze vervolgens deden of zeiden, werd door de behandelaars steevast aan hun ziekte toegeschreven. Als ze bijvoorbeeld aantekeningen maakten, verscheen er „patiënt vertoont schrijfgedrag” in de rapportage. Negentien dagen duurden de opnames gemiddeld, bij één kostte het zelfs twee maanden om er weer uit te komen. Alleen de echte patiënten hadden het door. Die zeiden: jij bent niet gek, jij bent een professor of een journalist of zo.

Intrigerend is ook het verhaal van drie patiënten die alle drie meenden Christus te zijn, en samen op een afdeling werden gezet. Elk van hen zag haarscherp dat de andere twee Christussen gek waren, maar ze bleven zeker weten dat ze zelf wél de echte Heiland waren. Aleman: „Het rotsvaste geloof dat patiënten in hun eigen wanen hebben, maakt behandelen vaak zo moeilijk.”

Geloof en geloven. Werpt dit soort kennis niet ook een ander licht op religie? Onder psychiaters en psychologen vind je het hoogste percentage atheïsten. Aleman is een uitzondering op die regel. Al beginnen er naar zijn zeggen nu meer christelijke psychologen en psychiaters te komen. Is hij nooit bang dat zijn geloof een waan is? Aleman grinnikt en zegt dan serieus: „Je moet altijd bereid zijn om je overtuiging kritisch te bekijken. Maar het alternatief is voor mij te onbevredigend. Dat betekent bijvoorbeeld dat doelgericht leven ten diepste een illusie is, en dat het na je leven allemaal ophoudt. Maar geloof is niet wetenschappelijk te toetsen – en dat is wel meer niet. Net zoals je maar moet geloven dat je partner van je houdt. Het is een stap die je moet zetten.”

En mensen die denken bezeten te zijn door kwade machten? Hier aarzelt Aleman: „Ik vind dat je erg voorzichtig moet zijn met zeggen: deze is echt bezeten door het kwaad en deze niet. Maar als gelovige denk ik wel dat een pastoraal werker soms iets kan betekenen voor iemand die kwaadaardige stemmen hoort.”

Aan de inhoud van wanen zou meer aandacht moeten worden besteed, vindt hij ook. Die is vaak beter thuis te brengen dan je zou denken. En dat kan helpen. Want dat patiënten het vaak zwaar hebben, benadrukt hij ook. Hij hoopt met zijn eigen onderzoek op den duur verlichting te kunnen brengen. Zo vond hij al een verband tussen een bepaald hersengebied en het gebrek aan ziekte-inzicht bij schizofreniepatiënten.

Zijn boek eindigt middenin lopend onderzoek. Onderzoek in de kinderschoenen zelfs, maar toch. Bij depressies heeft een nieuwe techniek, TMS, al aantoonbaar resultaat. Aleman denkt dat het ook bij schizofrenie kan helpen. TMS staat voor transcranial magnetic stimulation. Met behulp van zwakke stroom en magneetvelden wordt het brein van buitenaf gestimuleerd. Groot voordeel: het heeft nauwelijks of geen bijwerkingen. „Maar het is erg lastig onderzoek”, verzucht hij. „Waar je precies moet zijn, hoe lang het stimuleren moet duren – het is een puzzel.”

André Aleman, Hersenspinsels: Waarom we dingen zien, horen en denken die er niet zijn, 223 blz., Uitgeverij Atlas, € 19.95

    • Liesbeth Koenen