Een slimme mijt is op haar toekomst voorbereid

Mijten die in de veren van boerenzwaluwen leven, voelen goed aan wanneer hun vogel in de rui gaat. Voor een veer uitvalt, is de mijt weg. Hongaarse biologen bestudeerden het voorspellend vermogen van de mijt.

Het heikele van het bestaan voor uitwendige lichaamsparasieten wordt vaak miskend. Als vlo of luis ben je afhankelijk van een betrouwbaar levend onderkomen, of een regelmatig het bed of nest opzoekende broodheer. Daarin kan zomaar, zonder voorafgaande mededeling, veel veranderen. Van het ene op het andere moment kan een betrouwbare voedselgrond onder de voeten weggeslagen worden. Uitwendige, bloedzuigende parasieten als vlooien grijpen daarom al een lichte daling van de lichaamstemperatuur van hun gastheer of -vrouw aan om een onverhoopt sterfgeval vast te stellen. Ze gaan dan haastig op zoek naar een ander onderkomen, als ratten die het zinkend schip verlaten.

Pak daarom liever geen egel op die stervende is, en help hem anders. Tussen zijn stekels leefden vele bloedzuigertjes prettig onbereikbaar op stand. In paniek willen ze verhuizen en klampen ze zich aan elke strohalm vast. Stévig vast.

Andere kriebeldieren hebben het nog lastiger. Voor haren- of vereneters of parasieten die in de huidbedekking van zwerfafval leven loeren seizoensgevaren. Zoogdieren verharen immers, en vogels ruien – dus hun favoriete leefomgeving kan in één klap uitvallen.

Neem mijten die op de veren van vogels leven. Zelfs een gezonde vogel huisvest er veel. Zij zouden zo van het ene op het andere moment met slechte vooruitzichten alleen door de wereld zweven, verstoken van iedere warmte. Gelukkig, ze voorspellen hun vogel – en soms verbluffend goed. Mijten mijden onbetrouwbare slagpennen. Wonderlijk is dat mijten het ruipatroon van een vogel uit het hoofd lijken te kennen. Met de nadruk op lijken, want misschien gebruiken ze gewoon trucjes om indrukwekkend in de toekomst te kijken.

Bij elke vogelsoort volgt het ruien op de vleugels een vast maar specifiek patroon. Slagpen voor slagpen, en voor de balans gelijktijdig aan beide zijden.

Hongaarse zoölogen specialiseerden zich in opportuun vluchtgedrag van vogelmijten. Zij merkten dat die een veer die bestemd is om als volgende te vallen bij voorbaat al niet betreden. Toegegeven, bij ver naar buiten geplaatste slagpennen volgen ze wel een ‘laatste moment’-strategie – waarbij ze vlak voor het uitvallen de vertrekkende veer ontruimen. Ook al knap. Maar bij meer gemiddeld geplaatste pennen voorspellen zij al langer van te voren. Bij ruiende boerenzwaluwen tenminste, die bekeken werden met bijbehorende mijten. Bij die boerenzwaluwen is een gedoemde veer altijd degene die twee plaatsen verderop staat van een al gevallen gat op de vleugel.

Niet tevreden met zomaar ruiende boerenzwaluwen, controleerden de Hongaren dat doortastend ook door rui bij die helemaal niet van plan zijnde vogels te simuleren – door stelselmatig pennen uit te trekken dan wel met een fijn mesje te bewerken. Het wantrouwen jegens de tweede veer vanaf een gevallen gat bleef groot.

Vermoedelijk voelen mijten aan veranderde luchtstromingen dat onheil nadert. De luchtstroming kan veranderen doordat de veer al, wat los, iets van stand verandert. Maar ook, en al veel eerder, doordat verderop de vleugel dat gat al is geslagen. Een andere school van verklaring stelt dat de vibraties in de veren zelf verraderlijk veranderen zodat de mijt de onbetrouwbare kanten van haar boerenzwaluw heel precies kan doorzien. In ieder geval, zij zoekt op tijd het veiliger vasteland van de vogel op. Als heel klein voorbeeld van fijne gedragsafstelling door harde evolutionaire selectie. Andere parasieten rommelen soms maar wat aan, verbaasd opkijkend van onvermoede tegenslag. Maar een slimme mijt is op haar toekomst voorbereid.