De man die de Amerikaanse arbeiders conservatief maakte

Gisteren, op de honderdste geboortedag van Ronald Reagan (1911-2004), had BBC4 de wereldpremière van Eugene Jarecki’s documentaire portret Reagan. De Amerikaanse betaalzender HBO volgt vandaag, de VPRO woensdag.

Reagan is een grootscheepse, aantrekkelijke en leerzame film, waarin naast mooi archiefmateriaal tal van voormalige medewerkers en deskundigen aan het woord komen. Opmerkelijk genuanceerde sleutelgetuigen zijn Reagans biograaf Edmund Morris en zijn zoon Ron Reagan.

In de ruim twintig jaar na zijn aftreden is een mythe ontstaan rond de veertigste president van de Verenigde Staten. Als overwinnaar van de Koude Oorlog en architect van het neoliberalisme zou hij passen in het visionaire rijtje Thomas Jefferson, Abraham Lincoln en, vooruit, Franklin D. Roosevelt. Maar Jarecki plaatst heel wat kanttekeningen bij de heiligheid van het idool van de neoconservatieven.

Al vrij snel valt de typering van Reagan als performer, wat in het Engels zowel acteur kan betekenen als iemand die presteert, die dingen voor elkaar krijgt.

De loopbaan van de zoon van een drankzuchtige schoenenverkoper uit Dixon (Illinois) wordt gekenmerkt door een immens vermogen tot communiceren. Toch had hij geen echte vrienden en werd hij vooral geïnspireerd door zijn tweede vrouw Nancy Davis, net als hij een voormalige B-ster in Hollywood.

De ontwikkeling van acteur tot progressief vakbondsleider en conservatief politicus is vaak geschetst. Minder bekend is de razende snelheid van zijn bekering. Jarecki stelt dat hij in 1947, aan het begin van de heksenjacht op links Hollywood, nog zei dat de grondwet van de Sovjet-Unie meer bescherming bood dan de Amerikaanse. Anderhalf jaar later was de voorzitter van de Screen Actors Guild een fervent anticommunist, die heimelijk veel van zijn collega’s aangaf. Een document waarin de FBI hem aanwijst als „informant T-10” noemt Ron jr. „zorgwekkend”.

Jarecki’s getuigen noemen Reagan als degene die een belangrijke rol speelde in het conservatief maken van de Amerikaanse arbeidersklasse. Hij begon daar al mee in de jaren vijftig, als woordvoerder van General Electric. Het bedrijf ontsloeg hem als te controversieel.

Ook zien we de boze en militante gouverneur van Californië (1966-74), die hippies en demonstranten bespot: „Make love, not war: volgens mij zijn ze tot geen van beide in staat.”

Een speech voor de reactionaire presidentskandidaat Barry Goldwater in 1964 was de lancering van zijn landelijke politieke carrière. Toen hij in 1980 tot president werd gekozen, straalde hij vooral optimisme en daadkracht uit: „Het ligt in ons vermogen de wereld opnieuw te beginnen.” Een politiek van belastingverlaging, deregulering en bezuinigingen op alles behalve defensie, leek zeer succesrijk. Nu zeggen sommige analisten dat daar de huidige crisis begonnen is. De Tea Party zal deze evenwichtige film vast niet willen zien.

Hans Beerekamp