Bestrijding onderwijssegregatie geen prioriteit meer voor kabinet

Een deel van de Tweede Kamer heeft instemmend gereageerd op het afscheid van de ‘zwarte school’ als politiek taboe. Onderwijsminister Marja van Bijsterveldt (CDA) stelt in de Volkskrant dat het bestrijden van segregatie in het onderwijs niet langer rijksbeleid is, maar dat het gaat om de kwaliteit van de school.

Onzin
“Buitengewoon verstandig”, vindt Kamerlid Ton Elias (VVD). “Je kunt ouders niet dwingen tot een bepaalde schoolkeuze, dat is tegen de Grondwet.” D66 had die conclusie al eerder getrokken, zegt Kamerlid Boris van der Ham. “Het tegengaan van zwarte scholen is onzin. Het gaat niet om de kleur van kinderen, maar om de sociaal-economische problemen”, zegt de D66’er.

Maar Kamerlid Metin Çelik (PvdA) is teleurgesteld dat de regering “kennelijk het streven naar integratie opgeeft. De overheid moet zich niet neerleggen bij segregatie. Het gaat niet alleen om leerresultaten, ook om sociale aspecten. Verschillende groepen kinderen moeten met elkaar omgaan.”

Spreidingsbeleid mislukt
Het tegengaan van segregatie op scholen is jarenlang een streven geweest van de overheid. ‘Witte’ ouders werden verleid naar ‘zwarte’ scholen in de buurt te gaan en omgekeerd. Dit spreidingsbeleid is mislukt. Van de 7.000 basisscholen bestaan zo’n 700 scholen voor meer dan de helft uit allochtone leerlingen. In de grote steden is ruim de helft van de scholen ‘zwart’.

Het beleid werd doorkruist door artikel 23 van de Grondwet, dat garandeert dat ouders hun kind naar de school van hun keuze kunnen sturen. Veel witte ouders gingen naar scholen buiten hun wijk. Confessionele scholen, twee derde van het totaal, mogen kinderen weigeren op grond van het geloof.