Nederland heeft te weinig tennisprofs

Het ABN Amro-toernooi begint maandag, met Nederlanders in een bijrol. „De jeugd moet anders worden opgeleid.”

Michiel Schapers, Tjerk Bogtstra en John van Lottum zijn het over één ding roerend eens: Nederland zou met zevenhonderdduizend tennissers meer dan twee profspelers bij de tophonderd moeten hebben. Nu zijn dat alleen Thiemo de Bakker en Robin Haase.

„Bij het ontwikkelen van talent komt heel veel kijken. Zo moeten wij als Nederlanders uit durven gaan van onze eigen kracht. Aanvallend tennissen”, stelt Schapers. Bogtstra: „Je zou vier, vijf man in de top moeten hebben. In de jeugd kweken we vaak kampioenen, maar we moeten analyseren waarom het daarna vaak misgaat.” Van Lottum: „We moeten investeren in spelers die écht een kans maken.”

Michiel Schapers International Tenniscoaching, Bogtstra & Kempers Tennis Academy en Tennis Centrum Amsterdam. Het zijn de namen van drie opleidingscentra die door voormalige Nederlandse proftennissers op poten zijn gezet. Stuk voor stuk privé-initiatieven. Ze hebben uit eigen ervaring geleerd dat het opleiden van tennistalenten het beste gaat in een kleinschalige omgeving. „Spelers verdienen maximale aandacht. Ik werk nooit met meer dan twintig spelers”, stelt Schapers. Bogtstra: „Wij zijn er niet voor de massa. Wij willen topsport bedrijven.” Van Lottum: „Bij veel tennisscholen gaat het om geld verdienen, dat komt het niveau niet ten goede.”

Schapers werkte negen jaar voor de KNLTB voordat hij in 2005 met zijn afkoopsom van de bond zijn eigen tennisschool begon. Het Frans Otten Stadion in Amsterdam en Centre Point in Almere gebruikt hij als zijn thuisbases. Schapers: „Het gaat erom dat je snel inzicht krijgt in de kwaliteiten van een tennisser. Wat iemand wel en niet kan. Maar ook hoe de lichaamsbouw is. En de oog-handcoördinatie van een tennisser. Bij sommige spelers zie je bepaalde belemmeringen die bijna niet te trainen zijn. Cruciale informatie.”

Bogtstra en de voormalige proftennisser Tom Kempers zijn pas een paar maanden bezig in hun eigen academie. De twee waren allebei in dienst van de KNLTB, maar werken nu samen in hun privéschool. Het complex in de bossen van Doorn is volledig ingericht naar de wensen van Bogtstra en Kempers. „Alles moet hier een topsportklimaat uitstralen”, zegt Bogtstra als hij een rondleiding geeft door de tennishal, de gymzaal, een fitnessruimte en zijn kantoor met uitzicht op vier gravelbanen in aanbouw. „Wij willen het Nederlandse tennis helpen met een top-opleiding. Wij werken hier nu met 26 spelers variërend van een meisje van acht tot een profspeler van twintig. Het uitgangspunt is dat iedereen op zijn eigen manier de top haalt. En daarbij denken we niet aan de resultaten van komend weekeinde, maar aan een traject van jaren.”

In september vorig jaar openden oud-prof Van Lottum en succescoach Sven Groeneveld een tenniscentrum in Amsterdam. Vooralsnog verhuren ze alleen tennisbanen. In de nabije toekomst willen ze ook een tennisschool voor nationale en internationale talenten opzetten.

„Wij vinden dat het opleiden van jeugd anders moet”, zegt Van Lottum. In Nederland wordt vaak met te grote groepen spelers getraind, vindt de voormalig nummer 62 van de wereld. „Je moet selectiever zijn.”

Schapers, Bogtstra en Van Lottum kwamen elkaar in het verleden vaak tegen op nationale en internationale tennisbanen. Het Nederlandse tennis werd destijds gekenmerkt door saamhorigheid. Dat gevoel ontbreekt nu soms in de opleiding, meent Schapers. „Tennissers moeten zich aan elkaar op kunnen trekken. Dat hebben we in het verleden met Krajicek, Haarhuis, Eltingh en Siemerink gezien. En nu in mindere mate bij De Bakker en Haase. Ik zag laatst zes talentvolle jongens van onder de veertien bezig. Die zouden twee, drie keer per week met elkaar moeten trainen. Maar dat gebeurt niet, vrees ik.”

Schapers deed twee jaar geleden een oproep aan de bond om alle krachten in tennissend Nederland te bundelen. „Daar is inderdaad weinig mee gedaan”, stelt hij vast. Schapers, Bogtstra en Van Lottum willen ieder op hun eigen manier bewijzen dat Nederland wél een vruchtbare voedingsbodem voor proftennis is.