De getuige-deskundige

Rechterlijk beslissen zou wetenschap moeten zijn – dat vindt rechtspsycholoog Peter van Koppen. Rechters moeten zich niet alleen op het ‘schuldige scenario’ richten, maar dat tegen het ‘onschuldige scenario’ afzetten. Folkert Jensma

Peter van Koppen staat niet op de barricaden. Is er een crisis in de strafrechtspleging, na de dwalingen in de Schiedammer parkmoord, de Puttense moordzaak, Lucia de Berk en Ina Post? Hij haalt z’n schouders op.

Als je van moord wordt verdacht, dan wonen we hier in de toptien van veilige rechtsstaten, zegt hij. Een fatsoenlijk Openbaar Ministerie, weinig corruptie bij de politie en ‘meestal’ goede rechtspraak. Ooit gaf hij een cursus aan rechters uit Montenegro. Allemaal in dure Duitse auto’s en Armanipakken. Met een maandsalaris van 300 euro. Hij grijnst. “Wat denk jij dan?”

Afnemend vertrouwen in de Nederlandse rechterlijke macht? Een fictie van journalisten, meent hij. Uit onderzoek blijkt het niet. Hij heeft er geen last van. Kritiek heeft hij, dat wel. Maar hij ziet ook rechters die bewijsanalyses juist ‘heel mooi’ doen. Als een actiegroep hem opbelt om te demonstreren voor een herziening van een strafzaak, wenst hij ze een zonnige dag toe. Hij blijft thuis.

Van Koppen werd in 2003 bekend met een reconstructie van de Schiedammer parkmoord waarin hij concludeerde dat het scenario ‘onschuldig’ geloofwaardiger was dan het oordeel van de rechter. Hij bleek gelijk te hebben. Sindsdien wordt hij veel gevraagd als getuige-deskundige. Jaarlijks rapporteert hij in zo’n dertig strafzaken. Maar of de rechter naar hem luistert, weet hij niet. Hij leest de uitspraak soms in de krant. Soms vraagt hij er achteraf naar, “als ik me verveel”. Maar eigenlijk hoeft hij het niet te weten. Hij ervaart een vonnis ook niet als ‘gelijk krijgen’. Het gaat hem om de discussie. “Dat is waar wetenschap om draait.”

Zijn nieuwe boek Overtuigend bewijs is kritisch, ironisch en af en toe vrij hard. Met collega’s W.A. Wagenaar, H. Crombag en H. Israels vormt hij in de justitiewereld een soort rebellenclub, à la de vier musketiers. In afgedane strafzaken en onherroepelijke oordelen van rechters wijzen zij onbekommerd fouten aan. Dat doen ze al vanaf begin jaren negentig. In dit boek wil hij rechters in twee gelijkwaardige scenario’s leren denken. En niet in één.

DWALINGEN Van Koppen vergelijkt zijn werk met de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Net als Pieter van Vollenhoven bestudeert hij plaatsen waar iets is verongelukt, “omdat dat leerzaam is”. Maar algemene conclusies over de eventuele onveiligheid van de rechtspraak trekt hij niet. Dwalingen van rechters zijn in te dammen, niet uit te sluiten. Hoe groot het foutenpercentage is? Meer dan 0 en kleiner dan 100, zegt hij, afwerend. De percentages 2, 3, 5 of 10 uit Amerikaans onderzoek die ik in het boek las, weert hij af. “Dat stond maar in een achterafhoekje!”

Dat na het debacle van de Schiedammer parkmoord het aantal vrijspraken van 4 naar 9 procent steeg, dát vindt hij pas zorgelijk. Rechters zijn te voorzichtig geworden, denkt hij. Hij kan zich “absoluut niet” voorstellen dat ‘voor Schiedam’ 5 procent van de veroordelingen onterecht was. “Daar is geen enkele aanwijzing voor.”

Zelf denkt hij dat die 5 procent best veroordeeld had kunnen worden. In zijn boek noemt hij één zaak (de Nederweerter vrijspraakmoord uit 2008) waarin een feitelijk goed ondersteund bewijsscenario dat mogelijk maakte. De rechtbank Roermond legde 16 jaar cel op, maar het Hof Den Bosch sprak vrij. Het betrof, in het kort, een roofoverval op een woning, waarbij het slachtoffer met zijn vuurwapen één van de daders verwondde. De verdachte werd enige tijd later elders gearresteerd met een kogel in zijn buik. Uit onderzoek bleek dat die kogel ‘waarschijnlijk’ uit het wapen van het slachtoffer stamde. De verdachte claimde geheugenverlies. Het Hof sprak vrij omdat ‘waarschijnlijk’ in forensisch onderzoek niet de hoogste graad van zekerheid is. “Dat had niet moeten gebeuren.”

Van Koppen is zich ervan bewust dat rechtspsychologen in de ogen van rechters altijd “lopen te zeuren”. Zijn boek is positief bedoeld. Hij wil laten zien hoe we in Nederland “van een 8 naar een 9,5 komen”. Maar van rechtsgeleerdheid is hij geen bewonderaar. De ‘grootste handicap’ van rechters noemt hij het feit dat ze rechten hebben gestudeerd. Ze zien “door de bomen van hun eigen juristenbos soms niet meer welke werkelijkheid ze bestieren”. De kern van iedere strafzaak blijft toch de vraag of de verdachte het heeft gedaan en zo ja, “wat doen we dan met ’m?” Maar juristen storten zich liever op de vraag of bewijs rechtmatig is verkregen dan op de kwaliteit van het bewijs. En dus kunnen ze weleens denken dat er geen probleem is, als dat er wel is.

De analyse van het bewijs moet wetenschappelijk verantwoord tot stand komen, zegt Van Koppen. Dat strafrechters te weinig van DNA zouden weten, of van biologie of statistiek, dat is misschien ook wel zo. Maar voor hem is dat “van later zorg”. Het gaat hem om een te juridische wijze van redeneren. “Stellen rechters zichzelf wel voldoende pertinente feitelijke vragen? Welk scenario weeg ik af tegen dat van het Openbaar Ministerie? En zijn mijn bewijsmiddelen wel relevant voor mijn redenering?”

TIMBOEKTOE

Als ‘klassiek voorbeeld’ noemt hij de Zwartewaalse incestzaak uit 2001. Daarin werd een man veroordeeld op basis van de aangifte, een geboorteakte als bewijs van minderjarigheid van het slachtoffer en de erkenning van de verdachte dat hij in die periode in hetzelfde huis woonde als zijn stiefdochter. “Helemaal onzin is dat niet”, zegt hij. “Als de verdachte in Timboektoe had gewoond, kon hij het niet hebben gedaan.” Maar om daderschap af te leiden uit louter aanwezigheid? Er wordt vaak niet goed gezocht naar feiten die het ‘schuldig scenario’ onderscheiden van het ‘onschuldig scenario’. Er wordt juist bewijs gezocht bij het scenario “dat we in ons hoofd hebben”.

Ja maar, werp ik tegen, in het strafrecht hoeft de rechter alleen maar de tenlastelegging te beoordelen. Strafrechters zeggen ook dat het niet hun taak is om te achterhalen wat er echt is gebeurd, maar louter of kan worden bewezen wat de officier ten laste legde en of dat strafbaar is.

Dat is inderdaad de denkfout die juristen maken, zegt hij droog. En: een tenlastelegging “kun je alleen bewijzen ten opzichte van een ander verhaal”. Dat andere scenario is altijd dat een ander het heeft gedaan, er iets anders is gebeurd, dat er niets strafbaars is gebeurd of dat er helemaal niets is gebeurd. De keuze voor één van beide scenario’s moet in een gedegen bewijsanalyse door de rechter worden onderbouwd. Die ‘scenariokeuze’ moet in het vonnis staan, zegt Van Koppen. Dat is “gewone wetenschappelijke arbeid”. Juristen doen dat onvoldoende.

Het verweer van rechters is dat dwalingen uitzonderingen zijn en het gros van de zaken prima verloopt. Ook na het debacle in de Schiedammer parkmoord werd gezegd dat het vonnis ‘professioneel’ was. Van Koppen vindt die verdediging “niet relevant”. De meeste zaken die strafrechters behandelen zijn “ver beneden hun niveau”. “Je zit er als professional juist voor om de uitzonderlijke zaken eruit te halen. Al die routinezaken kun je met je ogen dicht. Daar kun je net zo goed een jury op zetten. Je moet rechters het kleine percentage ingewikkelde zaken aanrekenen die fout gaan. Daar zitten ze voor.” In de Lucia-zaak werd selectief gewinkeld in deskundigenverklaringen en werden niet de goede feitelijke vragen gesteld, zegt hij.

Wat rechters niet helpt, is dat ruim 90 procent van de strafzaken sowieso in een veroordeling eindigt. Politie en OM zijn immers “ook niet gek. Het overgrote deel is schuldig als de neten. Dus je krijgt een gemakzuchtige routine, die soms overdraagt naar de ingewikkelde zaken. De problemen worden dan niet herkend.” Klassieke fout is dat de politie niet het misdrijf onderzoekt, maar de verdachte. Zowel in de recente Belgische parachutemoord als na de babymoord in Appelscha uit 2000, die hij analyseerde , liep het op die manier fout, meent hij. Juristen zijn volgens hem onvoldoende getraind in observeren, theorievorming en toetsing. De aanstaande criminologen en psychologen die hij ook lesgeeft, hebben beter geleerd systematisch te toetsen en scenario’s af te wegen.

Van Koppen besteedt 90 procent van zijn tijd aan concrete strafzaken. Vaak zaken die worden aangemeld voor het project ‘Gerede Twijfel’, dat hij is begonnen aan de rechtenfaculteit Maastricht. Het doet nieuw onderzoek in afgedane strafzaken. Zijn vakgroep is gevestigd in een bijgebouw van de rechtenfaculteit. Hij loopt er vergenoegd rond en doet her en der deuren open. Drie studenten doen prompt hun monitor uit. Nog net zie ik een beeld van een politieverhoor dat zij mogen bekijken. Maar ik niet. “En? Nog gekke dingen gezien?”, roept Van Koppen blij.

Het project bestaat ruim vijf jaar en kreeg zo’n 250 zaken aangemeld. Het uitgangspunt is dat absoluut bewijs niet bestaat. Elk bewijsmiddel, of het nu een vingerafdruk, DNA-profiel, bekentenis of aangifte is is in zekere mate onzeker. Iedere strafrechter neemt daarom het risico van een fout oordeel. En dus komen rechterlijke dwalingen voor. Meestal veroorzaakt door gewone menselijke zwakheden. Hij heeft er zelf als getuige-deskundige ook last van. Na dagenlang puzzelen op een dossier achter zijn bureau ziet hij de verdachte voor het eerst op de zitting. “Dan denk ik soms meteen: die is guilty as hell. Dan ben ik blij dat ik het rapport schreef voordat ik ’m in het echt zag”.

EXCUUSTRUUS

Uiteindelijk, zegt hij, “zitten we allemaal in dezelfde tunnel”. Rechters moeten hun oordeel van de wet behalve op toereikend bewijs ook op hun subjectieve overtuiging baseren. Dat vindt hij “eng”. De rechterlijke overtuiging is wat hem betreft de “excuustruus” van de juridische waarheidsvinding. Een rechter die zegt dat hij “aan z’n water voelt” dat de verdachte het gedaan heeft, moet onmiddellijk een collega vragen het ‘scenario onschuldig’ te presenteren. “Dan kunnen ze samen kijken: welke bewijsmiddelen hebben we nu? En welke steunt jou en welke mij?” Zo moet het. Het bewijs, en elkaar, net zolang bevragen tot de keus er is. En die dan verantwoorden in je vonnis.

Ik probeer nog een tegenwerping. Wetenschappers hebben tijd. Die leggen een moeilijke zaak nog eens weg. Laten het eens bezinken. Keren terug met een frisse blik. Rechters staan onder druk. Die moeten oordelen. Van Koppen: “Dat is waar. Wetenschappers hebben een luxere positie. Rechters moeten doordenderen. Maar ze laten zich ook piepelen door het ministerie, hoor. Hoe vaak ik niet met rechters in de trein zit die klagen over de targets die ze moeten halen. Jij was toch onafhankelijk, zeg ik dan.”

Peter van Koppen: ‘Overtuigend bewijs: Indammen van rechterlijke dwalingen’. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 320 blz., € 22,50