'Wie vertelt, beweegt'

„Dit is een wanhopig boek – een boek dat je aan het einde van je leven schrijft”, zegt Umberto Eco over zijn verbluffende roman ‘De begraafplaats van Praag’. JOYCE ROODNAT sprak de schrijver in zijn huis in Milaan. „Slechteriken hebben zo hun charmes.”

Umberto Eco werd begin januari 79 jaar. Dat is bejaard, maar daar doet hij niks aan. Hij is een liefhebber van alles en hij verkneukelt zich graag. Hij heeft onlangs een wiegedruk gekocht, een zwaar, handgedrukt, middeleeuws boek. Kijk even hoe mooi, die bladzijden heeft nooit iemand aangeraakt. „Gelukkig mag ik het in twee jaar afbetalen.” Hij wijst op een plank (een plank vol!) werken van de 17de-eeuwse jezuïet en alchemist Athanasius Kircher, trekt er één tevoorschijn, slaat het open. „Kircher heeft berekend en getekend hoe de ark van Noach in elkaar zat. Zie je, hij lokaliseerde de slangen handig in platte hokken onderin het schip. Grappig.’’

Nu wijst Eco uit een raam naar de overkant van zijn appartement middenin Milaan: dat stuk muur van het Castello Sforzesco is authentiek middeleeuws. De rest van het kasteel is 19de-eeuwse namaak.

Negentiende-eeuwse namaak. Dat is ook het beruchte antisemitische geschrift De Protocollen van de Wijzen van Zion. In zijn nieuwe roman De begraafplaats van Praag traceert Eco de oorsprong ervan in Italië, in een historische brief van de oud-militair Simonini: ‘Ziehier, Heer, de doortrapte plannen voor een Joodse natie…’

De hoofdpersoon van Eco’s roman is diens kleinzoon. Simone Simonini is een schriftvervalser die Italië verruilde voor Parijs. Eco verzon hem, als knooppunt van een reeks legendarische Europese samenzweringen, waaronder die tegen Dreyfus. En als auteur en verspreider van De Protocollen.

Nu laat Umberto Eco zich vallen in een witte wegzakstoel.

„Al mijn boeken zijn met een goed humeur geschreven, maar dit ging met pijn en moeite. De hoofdpersoon is negatief en iedereen om hem heen ook. Iedereen bedient zich van antisemitische clichés en er gebeuren alleen maar negatieve dingen.

„Slechteriken hebben zo hun charmes, denk aan de meesterschurk Fantômas, of aan Fagin uit Oliver Twist. Ik zette alle zeilen bij om Simonini zó weerzinwekkend te maken dat de lezer zich niet met hem kan identificeren. Hij is impotent. Een masturbator. Een vrouwenhater, want een echte racist haat alles wat anders is dan hij zelf, vrouwen voorop. En er is een bekende uitdrukking: de god van de slechte mensen is hun buik [Eco slaat op zijn buik en slaakt een lipscheet]. Daarom is Simonini zo walgelijk vraatzuchtig.”

Hij eet en hij eet en van de gerechten schetst u vaak even een recept…

„… en nu denken veel lezers dat ik een gourmet ben. Nee hoor. Ik eet liefst hamburgers en chips. Ik houd wel van de namen van gerechten, daar zocht ik ze op uit: de côtes de veau Foyot, de fricassée de poulet Marengo, de petites timbales à la Pompadour. Alle restaurants die Simonini bezoekt bestonden in zijn tijd in Parijs, elk gerecht dat hij bestelt ook. De recepten heb ik uit kookboeken. De menu’s van veel van die historische restaurants vond ik op internet.”

Uw eerste hoofdstuk lijkt minder historisch: u schreef het of u Simonini’s appartement met een steadycam doorkruist.

„Kent u Manzoni, I promessi sposi? Uit 1827. Manzoni, de beste Italiaanse schrijver aller tijden, begint die of hij uit een mand onder een ballon naar beneden kijkt. Hij zakt omlaag, omlaag, omlaag. De lezer begint de straten te herkennen, hij belandt op de grond. Dan beweegt Manzoni zijn blik tot ooghoogte en maakt een travelling shot. Daarna begint het verhaal. Was Manzoni beïnvloed door de cinema? Nee, natuurlijk niet. Heeft hij John Ford en zijn collega’s beïnvloed? Welnee. Film en literatuur zijn eerstegraads familie. Wie vertelt, beweegt. Daar ben ik me ten diepste van bewust.’’

Dit boek vertelt ook met plaatjes. Hielpen de gravures u bij het schrijven?

,,Nee, het ging andersom. Toen ik klaar was met schrijven, ben ik gaan zoeken in mijn boekenverzameling. Sommige pasten onverwacht precies bij het verhaal. Andere helemaal niet, maar dat merkt de lezer niet. Kijk, deze: een lijk in het riool. Het riool? O ja? Wat doet die kar op de achtergrond daar dan? Die heb je niet in het riool. Ziet niemand!’’

Simonini verzucht: Mijn God, hoe kun je leven in een wereld van vervalsers?

Vervolg op pagina 2

‘Mijn testament: heb geen vertrouwen’

„De echte vervalser denkt dat hij door oneerlijke mensen wordt omringd. Hij valt zo samen met zijn eigen vervalsingen dat hij andermans vervalsingen niet aan kan.”

En vervalsers vermommen zich graag.

„Ja, dat is een kenmerk. Mijn inspiratie was Vidocq, de crimineel die het hoofd van de Parijse politie werd. Een dief, een vervalser, energiek en vol ideeën. Mensen als Vidocq zijn betoverd door de mogelijkheden van andere persoonlijkheden. Het kan ze niet schelen of dat goeds oplevert of kwaad. Lees de kranten en je ziet ze nu in de kringen rond Berlusconi.”

U doelt op Ruby, de 17-jarige prostituee die hij al dan niet protegeert?

„Ruby is een interessante figuur. Ze zegt dat ze met Berlusconi naar bed is geweest, de volgende dag ontkent ze dat even vastberaden. Ze heeft hem gechanteerd. Maar daar weet ze vervolgens niets van, zelfs een afgetapt telefoongesprek helpt niet. Ze heeft een vreselijke jeugd gehad. Maar ook weer niet. En niemand die nog weet wie de echte Ruby is. Ze wil hoe dan ook een hoofdrol spelen, dat lukt haar en daar gaat het om.”

In uw boek wemelt het van de historische samenzweerders en intriganten. Heeft u een favoriet?

„Nee, wat bedoelt u?”

Mijn favoriet is Taxil, die snoeshaan uit Marseille.

„Uiteraard. Als verteller houd ik ook van Leo Taxil. Zelfs de Fransen zijn ervan overtuigd dat ik hem verzon, ook mijn Franse vertaler dacht dat. Maar hij bestond en hij was zo uitzinnig als ik hem heb beschreven.”

En hoe heeft u hem gevonden?

„Door mijn verzameling zeldzame boeken. Ik had een kleine collectie vrijmetselaargeschriften. En Leo Taxil, uiterst productief als auteur van anti-vrijmetselaarsmysteries én actief als schriftvervalser, mocht via de voordeur mijn collectie in. Pas met De begraafplaats ontdekte ik wat een rijk romanpersonage hij is.

„Ik begon met verzamelen na De Naam van de Roos, toen kon ik het me veroorloven. Omdat ik bezig was met De slinger van Foucault, kocht ik allerhande mysterieboeken. Tempeliers, rozenkruisers, katharen, esoterie. Hetzelfde spul dus dat Dan Brown jaren later gebruikte voor De Da Vinci Code – maar hij nam het serieus.

„Het was het begin van mijn biblioteca semiologica curiosa, lunatica, magica et pneumatica: een collectie over occulte wetenschappen, namaaktalen, alchemie, satanisme, nu ja, alles, als het maar vervalst is of een vergissing. Dus Galilei heb ik niet, maar wel Ptolemaeus. Want die zat fout en Galilei had gelijk.

„Na De slinger werd me gevraagd: dus u gelooft niet in complotten? Nee, zo zit het niet. Zeker, ze zijn er. Het complot van de moord op Julius Caesar heeft bestaan. En het complot van de Protocollen die suggereren dat een Joodse kern de complete mensheid wil onderwerpen, is een groot succes. Het werkt nog altijd.”

Is internet te vergelijken met het web van samenzweringen in de 19de eeuw?

„Op internet kun je elk complot en elke vervalsing verkopen. Internet zit vol samenzweerders, de verspreiding van geruchten is er gemakkelijk. Ik begon zes jaar terug aan De begraafplaats van Praag, ver voor Julian Assange zijn WikiLeaks lanceerde. Mijn boek stelt: wil je geheimen suggereren, dan moet je iets onthullen wat iedereen al denkt. Dat is Assange! Alles wat WikiLeaks aan het licht bracht, was allang het gesprek van de dag.”

Eco grinnikt. „Ik lijk Nostradamus wel. Terwijl ik iets vertel de oude Grieken al kenden.’’

Hermann Goedsche, de inspiratie voor De Protocollen, zegt in uw boek: ‘Arbeit macht frei’. Is dat historisch?

„Nee, dat ben ik. Ik ben geen moralist, ik ga niet naar de concentratiekampen verwijzen. Maar ik wil mijn lezers wel suggereren dat we met zulke mannen op Auschwitz afstevenden. Daarom laat ik ook de term Endlösung bezigen. Die komt van Luther, hij heeft de Endlösung uitgevonden.’’

Ik vind dat we het nu even over Eco’s vertelkracht moeten hebben en vraag hem naar zijn vaak rake beelden, zoals de ‘vroegoude meisjes, met net zo’n bleke teint als poppen van arme kinderen’. Mooi! zeg ik. Hij kijkt verbaasd.

„Wat? Ik herinner me dat niet. O ja, ik weet het weer. Ach ja, dat beeld. Dat hebben mijn twee meisjes vast mooier vertaald dan ik het heb geschreven.’’

‘Mijn twee meisjes’, dat zijn Patty Krone en Yond Boeke, Eco’s vaste Nederlandse vertaalsters. Hij spreekt met ontzag over hen. Ze werken rigoureus en serieus, vertelt hij. „Ze stellen briljante vragen.” En ze behoedden hem voor „heel veel fouten.” Al zijn vertalers doen dat, trouwens.

„Vertalers zijn de beste redacteuren. Doordat ze letterlijk elk woord wegen, ontdekken ze incongruenties waar een bureauredacteur overheen leest. Mijn Japanse vertaler ontdekte bijvoorbeeld dat ik een lijk te veel in Simonini’s riool had gelegd.”

U beschrijft het 19de-eeuwse Europa als een surrealistische wereld, voortgestuwd door haatzaaierij en geheime genootschappen die zich uitleven in krankzinnige rituelen.

„O ja, zeker. Allemaal authentiek. De hysterie van de 19de eeuw kwam door de triomf van de wetenschap, door het positivisme. Dat zovelen zich overgaven aan spiritisme was geen toeval. Het compenseerde het idee dat alleen techniek en wetenschap reëel waren.

,, Ik citeerde in De slinger van Foucault al G.K. Chesterton: dat mensen niet langer in God geloven, betekent niet dat ze niets meer geloven, integendeel, ze geloven in alles. Maar hou me ten goede, mijn boek is beperkt. Alsof ik over vijftig jaar de geschiedenis van onze tijd zou weergeven via Berlusconi en zijn milieu.”

Wanneer begon de 19de eeuw?

„Met het verval van de Franse Revolutie. 1815. Wat ik ontdekte, nu ja, ontdekte... Wat ik inzag, was dat het antisemitisme tot aan de Franse Revolutie vooral religieus was. De Joden hadden God vermoord, die moesten eraan. Het idee van een Joodse samenzwering bestond nog niet. Joden waren arme sloebers, die kon je moeilijk verdenken van economische machtswellust.

,,Na de Franse Revolutie werd het antisemitisme seculier. Onder meer doordat ze het getto uit mochten en economisch actief werden, werden de Joden met het kapitalisme geïdentificeerd.

„Racisme is een permanente menselijke ziekte. Er is altijd een vijand nodig om de toegang te weigeren en te wantrouwen. De Joden zijn zeer geschikt. Want uiterlijk onderscheidt de Jood zich niet, maar hier (Eco geeft een klap op zijn hart) is hij anders. Tegenwoordig hebben we daar in Italië de Roemenen voor, en de Bulgaren. Italiaans antisemitisme hoeft even niet, we hebben iets beters.”

Met Simonini definieert u de haat. Hij bestaat om te haten.

„Hij is de enige niet. Homo homini lupus. Dit is een boek dat je aan het einde van je leven schrijft, niet aan het begin. Het is wanhopig, vol scepsis. Een testament voor mijn kleinkinderen: heb geen vertrouwen in de mens.’’

Umberto Eco: De begraafplaats van Praag (‘Il cimitero di Praga’). Vert. Yond Boeke en Patty Krone. Prometheus, 494 blz. € 19,95. De recensie (Boeken, 21-01-11) is te vinden via www.nrcboeken.nl

    • Joyce Roodnat