Wereldvreemd op BZ

Als voorzitter van het Crisis Onderzoeksteam (COT) was de Leidse bestuurskundige Uri Rosenthal eind vorige eeuw de geestelijk vader van een boeiend simulatiespel op de televisie. In deze tv-serie, Crisis , werden de koelbloedigheid, het analytisch denken en het improvisatievermogen van allerlei bestuurders tijdens bijvoorbeeld een gijzeling getoetst.

Het ging steeds om één casus. Burgemeesters, wethouders, ambtenaren en managers werden in één ruimte bij elkaar gezet en geconfronteerd met een imaginaire crisis die ze moesten oplossen. Die crisis veranderde steeds, zowel door hun interventies als door autonome invloeden van buiten. Na afloop van elke uitzending beoordeelde ‘rampenprofessor’ Rosenthal hoe de deelnemers het er in het simulatiespel vanaf hadden gebracht.

Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) heeft gisteravond ervaren hoe het er in het echt aan toegaat en hoe de Tweede Kamer een oordeel over zijn crisisbestendigheid velt. Dat viel niet mee. In zijn pogingen om het leven van de ter dood veroordeelde Nederlands-Iraanse vrouw Zahra Bahrami te redden heeft hij volgens critici een „inschattingsfout” gemaakt. De minister zag het een slag anders. Maar er was wel „meer nodig geweest”. Toen het te laat was, sprak Rosenthal immers over het Iraanse bewind als „barbaars”. Maar toen hij wellicht nog enige invloed ten goede had kunnen aanwenden, vertrouwde hij juist op de Iraanse ambassadeur die hem een stapsgewijze en niet uitgeputte rechtsgang voorspelde. Vandaar dat hij zich als minister niet zelf aan een ultieme interventie had gewaagd. De ‘barbaren’ bleken er echter toch een andere logica op na te houden.

Het komt behoorlijk wereldvreemd over. Onhandig voor een minister van Buitenlandse Zaken. Zoals het ook niet doordacht was dat Rosenthal in deze krant opmerkte dat Teheran „kennelijk een mensenleven wil ruilen voor een jerrycan met benzine”. Hij doelde op een eind vorig jaar geannuleerde reis van zijn Iraanse ambtgenoot die naar Nederland zou vliegen voor een beraad van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens, maar daarvan afzag omdat hij geen garantie kreeg dat zijn vliegtuig voor de terugreis zou worden volgetankt.

Of het leven van Bahrami anders zou zijn gered, is onbekend. Feit is dat Nederland door de magere economische betrekkingen – de totale in- en uitvoer is anderhalf miljard euro – weinig voet tussen de deur heeft in Iran. Feit is ook dat Nederland nu weet dat gevluchte Iraniërs bij terugkeer hun leven niet zeker zijn, zelfs niet als ze ook een Nederlands paspoort hebben.

Lesje geleerd, zei Rosenthal. Zeker. Twee lessen zelfs. Of de diplomatie nu stil of luidruchtig is, Den Haag moet zoveel mogelijk Europees opereren. En Iran is niet veilig. Ook in het asielbeleid moet Nederland zich daarvan nog meer rekenschap geven.