Wel of niet de 'grap' van een 'gek'

Vijftig jaar geleden stierf Céline. Frankrijk wil daar niet al te veel woorden aan vuilmaken. Toch zijn er polemieken over zijn werk en antisemitisme. Arnold Heumakers las een studie met de verzamelde polemieken.

Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), écrivain français, avec ses chiens. Meudon, vers 1955. LIP-5097-004
Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), écrivain français, avec ses chiens. Meudon, vers 1955. LIP-5097-004 ROGER_VIOLLET

André Derval: L’acceuil critique de Bagatelles pour un massacre. Écriture, 299 blz. € 28,05.

In de laatste weken van januari woedde in Frankrijk een korte, maar hevige polemiek rond Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) en diens oeuvre. De overheid had hem op de lijst gezet van beroemdheden die in 2011 officieel zouden worden herdacht, Céline wegens zijn vijftigste sterfdag. Advocaat Serge Klarsfeld protesteerde namens de overlevenden van de Shoah en bij de presentatie van de lijst op 21 januari bleek cultuurminister Frédéric Mitterrand Céline te hebben geschrapt.

De polemiek die volgde, bood inhoudelijk niet veel nieuws. Céline is omstreden sinds hij in 1937 zijn eerste antisemitische pamflet publiceerde. Telkens draait het om de vraag: kan iemand die zo’n virulente jodenhaat propageert tegelijkertijd een groot schrijver zijn? Wie literatuur aan bepaalde morele normen wil binden, zegt nee; wie door dik en dun de literaire autonomie verdedigt, zegt ja. Blijft het feit dat Céline door tallozen als een van de grootste schrijvers van de 20ste eeuw wordt beschouwd, zij het niet op grond van zijn pamfletten, maar op grond van zijn romans.

Die pamfletten zijn na de Tweede Wereldoorlog niet meer herdrukt. Céline zelf heeft het verboden en zijn weduwe respecteert deze beslissing tot op de dag van vandaag. Alleen antiquarisch zijn ze nog te krijgen en – illegaal – op internet. Vaak brengen Céline-liefhebbers een strikte scheiding aan tussen romans en pamfletten, maar dat is niet goed mogelijk als je die pamfletten kent. Want ze zijn op dezelfde manier geschreven, even bizar en uitzinnig, even persoonlijk en scandaleus. Het verschil tussen Bagatelles pour un massacre en Guignol’s Band zit alleen in de inhoud.

Vandaar waarschijnlijk dat Céline zelf na 1945 alle nadruk op de stijl heeft gelegd, op zijn ‘kleine muziekje’ – in de hoop dat iedereen zou vergeten dat het ook bedoeld was als verweer tegen de joden die volgens hem Europa hadden beroofd van zijn autochtone ‘muziek’. In Bagatelles pour un massacre schrijft Céline niets tegen de joden als zodanig te hebben, hij gaat enkel tekeer tegen het ‘joodse racisme’; maar als hem gevraagd wordt of hij de joden wil ‘doden’, luidt het antwoord dat de joden zelf op dit punt ook geen scrupules kennen en als er toch ‘kalveren’ geslacht moeten worden, dan liever de joden... Op de voor meer dan één interpretatie vatbare titel (Kleinigheden voor een bloedbad) werpt dit alles een sinister licht.

Tegenwoordig is de discussie over Céline moeilijk los te zien van de reële massamoord die tijdens Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden. Maar in december 1937, toen Bagatelles voor het eerst verscheen, moesten de vernietigingskampen nog worden opgericht. Dat de jodenvervolging, die in nazi- Duitsland al wel op gang was gekomen, tot zes miljoen slachtoffers zou leiden, voorzag niemand, al waren er wel critici die in Célines boek een aansporing tot een ‘pogrom’ lazen, al dan niet met instemming.

Alle Franse en Waalse reacties uit 1938 zijn nu gebundeld door André Derval in L’acceuil critique de Bagatelles pour un massacre. Célines antisemitisme, breed uitgemeten in dit pamflet van bijna 400 bladzijden, werd door menigeen ervaren als een klap in het gezicht. Zijn debuut Voyage au bout de la nuit (1932) liet er niets van vermoeden en was juist innig omarmd door links, compleet met vertaling in het Russisch. De eerste aanwijzing dat men een adder aan de rode borst koesterde, leverde het korte pamflet Mea Culpa, een woedende afrekening met het Sovjet-communisme na een bezoek aan het ‘arbeidersparadijs’ in 1936. In Bagatelles deed Céline dat nog eens dunnetjes over, met nu ook de onthulling wie er in de Sovjet-Unie aan de touwtjes trok: het internationale jodendom.

De meeste linkse critici lieten Céline vallen en ditmaal was het de beurt aan rechts om hem in de armen te sluiten. Hoewel veel rechtse critici weinig op hadden met Célines romans (vooral Mort à crédit vond men onnodig obsceen wegens al dat ‘merde’ in de tekst), werd Bagatelles begroet als een meesterwerk. Robert Brasillach betuigt zijn solidariteit met Célines ‘opstand der inboorlingen’ en Lucien Rebatet vergelijkt de schrijver vol ontzag met een ‘natuurverschijnsel’.

Dat Céline de vervalste Protocollen van de Wijzen van Zion volstrekt serieus neemt en er niet voor terugdeinst ook de Franse koningen, Cézanne, Stendhal, Zola en Racine als ‘joden’ af te schilderen, maakt niet uit. ‘Is er voor krankzinnige tijden een betere schilder te bedenken dan een gek?’, vraagt Rebatet zich af. Maar niet iedereen is het daar mee eens. Er is ook een ernstige antisemiet die Bagatelles misprijzend een ‘roman’ noemt en de stijl waarin het geschreven is ‘joods’. Deze criticus zou het niet verbazen als Céline zelf een jood was.

Anderen opperen de mogelijkheid dat Bagatelles door de joden is ‘betaald’ om het antisemitisme in diskrediet te brengen, zo idioot zijn de beweringen vaak. Sommige critici gaan ze niettemin serieus weerleggen, om de kwade trouw van de auteur te bewijzen. Maar opvallend is dat veel critici, onder wie André Gide, het boek vooral opvatten als een grote ‘grap’. Was het dat niet, dan zou Céline ‘volkomen gek’ zijn. Dat het om een absurd ‘spel’ gaat, is voor Gide het enige valabele excuus.

Bijna niemand ontkomt eraan het polemische talent van Céline te erkennen, ongeacht hoe men denkt over het antisemitisme. Maar is het mogelijk beide zaken van elkaar te scheiden? Op dit punt raken de reacties in 1938 en de huidige polemiek elkaar. Céline is en blijft een groot schrijver met foute opvattingen en Bagatelles pour un massacre een meesterwerk met een onacceptabele strekking. En het zal nog wel even duren voordat deze strekking, verdwenen achter de stijl, niet meer ter zake doet.

De interessantste reactie kwam ik tegen op de internetsite van Le Monde. De mij onbekende schrijfster en advocate Constance Debré vraagt zich er af of Céline niet zo beroemd en geliefd is vanwege zijn dubbelzinnigheid. Is zijn abjecte kant niet even belangrijk als zijn literaire genie? Juist de combinatie maakt hem pikant, dubieus, spannend. Met andere woorden: de dubbelzinnigheid zit niet alleen in Céline, deze literaire Jekyll en Hyde, maar ook in onze kennelijk onuitputtelijke fascinatie. Debré noemt die fascinatie op het vervelende af vrijblijvend. Toch vindt ze dat we Céline moeten herlezen. Terecht. Zijn oeuvre confronteert ons met onze eigen dubbelzinnigheden.