Week 5: Hitch en Zwaag, Chinezen en bevindelijken

Elsbeth Etty neemt de stapel binnengekomen boeken door en geeft een eerste oordeel.

Memoires van een erudiete Britse schrijver laat ik me niet ontgaan, zeker niet als de auteur ook nog eens tot de babyboomgeneratie behoort en zich geroepen voelt verantwoording af te leggen over zijn linkse verleden. Van Hitch-22, de memoires van de tot Amerikaan genaturaliseerde publicist Christopher Hitchens (1949), had ik dan ook hooggespannen verwachtingen. Hoe zou deze voormalige trotskist, groot geworden bij de New Statesman en nu verbonden aan Vanity Fair, zijn zwenkingen, bijvoorbeeld zijn kritiekloze bewondering voor de Amerikaanse neocons als Paul Wolfowitz, recht praten?

Door heel hard te schreeuwen dat hij nu eenmaal altijd gelijk heeft gehad. Of hij nu links of rechts was, zo blijkt uit zijn boek, hij stond gewoon altijd aan de goede kant. Alles wat er sinds 1968 ten goede is veranderd in de wereld, van de omverwerping van het communisme tot aan de dood van Saddam Hoessein, is indirect aan zijn voortreffelijke stellingnamen te danken.

Havel, Mandela en de familie van een in Irak gesneuvelde Amerikaanse militair hebben hem daar persoonlijk voor bedankt. Sinds hij lid werd van een comité dat zich, overigens met redelijke argumenten, uitsprak vóór de oorlog tegen Irak, is hij uit de gratie bij linkse intellectuelen in Engeland en de VS. Tot zijn grote verdriet. Hitchens, die het nog net niet over ‘deze jongen’ heeft, maar zichzelf wel liefkozend ‘Hitch’ noemt, blijkt een enorme ijdeltuit die alleen maar doet alsof hij, gekweld door twijfel, voortdurend in een Catch-22 situatie zit. In werkelijkheid kent hij geen enkele twijfel. Zijn grootste wens is: ‘Tijdens mijn leven te worden gerehabiliteerd.’

Hitch 22 (vert. Richard Kruis, Meulenhoff, 534 blz. € 35,-, besproken in Boeken, 24-09-10) is de zelfrehabilitatie van een in eigen ogen miskend genie. Net op tijd: toen het boek af was, bleek de auteur aan slokdarmkanker te lijden.

Ik zou Hitchens niet met Joost Zwagerman willen vergelijken (die noemt zich gelukkig ook geen ‘Zwaag’ en heeft romans geschreven waartoe ‘Hitch’ nooit bij machte was), maar er zijn wel overeenkomsten, zoals een alomtegenwoordigheid in de media en Zwagermans neiging in opiniestukken voortdurend zijn eigen politiek-morele gelijk te benadrukken.

In de bundel Alles is gekleurd. Omzwervingen in de kunst (De Arbeiderspers, 358 blz. € 24,95) leeft Zwagerman zich uit op andere terreinen dan de politiek: beeldende kunst, muziek en literatuur. De meeste van deze meeslepende stukken zijn eerder gepubliceerd , onder meer in Vrij Nederland en deze krant, maar er zit genoeg tussen dat ik vergeten was, zoals de necrologie van Elizabeth Hardwick (1916-2007). Hardwick behoorde tot de oprichters van wat Zwagerman het beste tijdschrift ter wereld vindt: The New York Review of Books. Jarenlang was ze de drijvende kracht van de NYRB, waarin ze The Assault van Harry Mulisch ‘een van de grote Europese romans van onze tijd’ noemde.

Vreemd genoeg acht Zwagerman de vraag of Hardwick hierin gelijk had niet relevant, alsof een oordeel in de kunstkritiek er niet toe doet. In het oordelen ligt dan ook niet Zwagermans kracht, eerder in het enthousiasmeren van zijn publiek.

De fictie komt er bekaaid af deze week. Zelfs Roel Janssen, die diverse thrillers op zijn naam heeft, komt met non-fictie. In de bundel Grof geld. Financiële schandalen en speculatie in Nederland (De Bezige Bij, 240 blz. € 19,90) combineert hij zijn fascinatie voor de misdaad met zijn journalistieke specialisme: geld. Er trekt een historische optocht voorbij van vaderlandse zwendelaars, speculanten en graaiers – van de Middeleeuwen tot heden. De grootste oplichter was koning Willem I: hij zag in zijn regeerperiode van 1814 tot 1839 kans buiten de rijksbegroting om het land op te zadelen met een staatsschuld van 2.250 miljoen gulden, ofwel 228 procent van het nationale inkomen; de grootste profiteur was hij zelf.

De Britse gezant in Den Haag vroeg zich af ‘hoe het Nederlandse volk kon toestaan dat de welvaart van hun land is geofferd aan de familiebelangen van het huis van Nassau?’ Het enige minpunt in dit vermakelijke boek vind ik dat Janssen steeds schoollesjes geschiedenis geeft om de schandalen en oplichterijen in een context te plaatsen. Onnodig.

Hebzucht, daar draait alles om, ook in China, waar Deng Xiaoping de opendeurpolitiek lanceerde met de oproep aan de Chinezen zich te verrijken: ‘rijkdom is glorieus’. In Duizend dagen in China (Nijgh & Van Ditmar, 303 blz. €17,95) doet Bettine Vriesekoop verslag van haar ervaringen als correspondent van 2006 tot 2009 in Peking van NRC Handelsblad. Zij had toen zij aan deze klus begon vrijwel geen journalistieke ervaring, wat het relaas van haar wederwaardigheden een, hoe zal ik het noemen, aandoenlijke naïviteit geeft. Die onbevangenheid kleurt vooral haar impressies van het dagelijks leven in het onmetelijke land.

Onbevangen is ook de beste typering van de houding van Rachel Visscher (1982) tegenover de Gereformeerde Gemeente. In Zwarte Dauw (Augustus, 172 blz. € 16,95) laat zij bevindelijk gereformeerden en andere inwoners van het (niet met name genoemde) Overijsselse stadje Genemuiden aan het woord, kruipt in hun huid, kent hun zielen alsof het romanpersonages zijn.

Is dit literatuur? Nee, daarvoor schiet haar taal tekort: ‘De veroordeling van de gereformeerden naar mij en anderen is vaak onverbiddelijk.’ Op de eerste halve bladzij regent het vijf keer.

Visscher wil meeliften op het succes van Jan Siebelink en Franca Treur. Die schreven doorleefde romans over hun ervaringen met streng gereformeerden. Visschers boek is hybride: half roman half non-fictie, maar zonder te voldoen aan de eisen van dat genre, zoals betrouwbaarheid en controleerbaarheid. Zo zijn de namen van de geïnterviewden gefingeerd ‘ter bescherming’. Lopen zij soms gevaar? Dat had ik dan wel willen weten.