Wat moet een studente nu met zo'n peespasje?

De peespas verandert niets aan de uitbuiting van buitenlandse vrouwen. En vrijwillige prostituees moeten er niet aan denken dat het pasje uit hun tas valt, stelt Marian Donner.

De peespas moet misstanden in de seksbranche bestrijden. Als we iedereen maar registreren, lijkt het idee, hebben we tenminste overzicht. Het is inmiddels een bekende reflex: veiligheid (in dit geval bescherming van de weerlozen) wordt steeds vaker gelijkgesteld aan zichtbaarheid. Maar bij de peespas pakt dit verlangen naar zichtbaarheid paradoxaal uit. Vrouwen die dit werk vrijwillig doen – vrouwen die overdag een goede baan hebben of studeren, vrouwen die op zoek zijn naar spanning en avontuur en voor 300 euro per uur rijke zakenmannen in hun hotelkamer bezoeken – die vrouwen zullen onder geen beding zo’n pasje aanvragen. Voor hen is het risico te groot. Iemand zal ze maar aan dat speciale loket zien staan. Ze laten hun portemonnee rondslingeren, of hij wordt gestolen, en alle informatie ligt op straat. In dat geval zijn ze in veel gevallen niet alleen hun baan kwijt, maar ook een groot gedeelte van hun familie en vriendenkring.

Prostitutie is voor velen acceptabel zolang het om onbekende vrouwen gaat. Is het echter de dochter, nichtje of beste vriendin die haar lichaam verkoopt, dan verandert de zaak.

Daartegenover staat de vrouw die gedwongen wordt, de vrouw die op de Wallen, in een Bijlmerflat of achter het station zes mannen afwerkt in drie uur. Zij zal vooraan in de rij staan. Wie gedwongen wordt tot seks, kan ook gedwongen worden een pasje op te halen bij de burgerlijke stand. En aangezien het pasje niet geweigerd mag worden, krijgt ze het sowieso. Het is haar stempel van goedkeuring: vanaf dat moment is haar uitbuiting legaal. Haar pooier reduceerde haar al tot alleen tot een lichaam, nu doet ook de overheid dat. Door haar een pasje te laten dragen waarop staat dat ze een sekswerker is. Niet minder, maar zeker ook niet meer. Ze is gelabeld, als een appel in de supermarkt. Ze is een object geworden, een product waarbij de overheid opereert als een marktkoopman die kopers toeschreeuwt: ‘Dit is goede waar!’

En zo belanden we met de peespas, als deze wordt ingevoerd, dus in een omgekeerde wereld: de vrouwen die dit werk vrijwillig doen, worden onzichtbaar en daarmee strafbaar, terwijl de uitgebuite, gedwongen vrouwen zichtbaar en legaal opereren. Zonder dat er ook maar enige garantie is dat er iets aan die uitbuiting wordt gedaan.

Toen Saban B. actief was op de Wallen, hebben collega-raamexploitanten veelvuldig geklaagd. Hij behandelde zijn vrouwen niet goed, zeiden ze, er was sprake van dwang. Met die klachten is niets gedaan. Misschien omdat te veel tijd werd besteed aan grootse plannen, vergezichten en aanpassingen van de wet. Schijnbare details bleven daarom onopgemerkt. In het Amsterdamse 1012-project (postcode in centrum) worden sekspanden geconfisqueerd, uitbaters uitgekocht, de gemeente handelt in onroerend goed. Maar het enige wat gebeurt is dat de schaduw zich verplaatst. Dat is het principe van een schaduw: ze verspringt zodra er licht op schijnt.

Vergeten lijkt te worden dat seks niet alleen consumptieve en economische arbeid is, maar allereerst vooral mensenwerk. Door alle betaalde seks als eenvormige, eenduidige arbeid te beschouwen, wordt voorbijgegaan aan de kern. De vrouwenhandel bijvoorbeeld is al lang geglobaliseerd: meisjes werken twee weken in Amsterdam of Rotterdam en worden dan verscheept naar München, Stockholm of Madrid. Wat heeft een lokaal initiatief als de peespas dan voor zin?

We leven in een complexe wereld waarin, om met Zygmund Bauman te spreken, alles vloeibaar is. Wat de overheid (steeds weer) probeert is om de meerduidige werkelijkheid te reduceren tot data, eenduidige gegevens en statistieken die worden gedigitaliseerd, gearchiveerd en geïndexeerd. Maar de high class escort is niet dezelfde als een Poolse vrouw die onder valse voorwendselen achter een raam te werk is gesteld. Voor de een is de schaduw een zege, voor de ander een straf. Wat de overheid moet doen is werken op individueel niveau. Niet de dames op één grote hoop gooien met een zoeklicht erop. Geen label eraan hangen als aan het oor van een koe. Niet alles overlaten aan technologie. Tijd en aandacht is er nodig, en vooral: een gerichte, menselijke blik.

Marian Donner is schrijfster en telefoniste bij een escortbureau. Onlangs verscheen bij uitgeverij Prometheus haar tweede roman Lily: een duister verhaal over een meisje dat haar lichaam verkoopt.