Stoere man uit het Naakte Zuiden

In elk boek van Maria Stahlie liggen hypochondrie, doemdenkerij en zelfonderschatting op de loer. Ook in haar roman Scheerjongen is de hoofdpersoon behept met het sterfzondevirus.

Madelien Tolhuisen(Maria Stahlie),auteur. foto VINCENT MENTZEL.==F/C==Amsterdam, 5 december 2005
Madelien Tolhuisen(Maria Stahlie),auteur. foto VINCENT MENTZEL.==F/C==Amsterdam, 5 december 2005

Maria Stahlie: Scheerjongen. Prometheus, 232 blz. € 17,95.

Als ik in de wachtkamer zit bij de huisarts en naar de bedrukte gezichten van de andere wachtenden kijk, dan denk ik nog wel eens terug aan een geestige passage uit Sterfzonde (1991) van Maria Stahlie. Maud, de hoofdpersoon van die roman, krijgt een dichtgeplakte verwijsbrief mee voor de neuroloog. Zij voelt meteen nattigheid. Uit bijgeloof opent ze de verwijsbrief niet. Ze hóéft die brief ook niet te openen, want ze meent al precies te weten wat erin staat: ‘Amice, tumor ter grootte van tennisbal geconstateerd achter linkeroogbol. Opereren lijkt me flauwekul. Misschien nog wat bestralen voor de vorm? Vr. gr.’

Dit is een typisch Stahlie-scenario. De patiënte schikt zich ogenblikkelijk in haar droevige lot, maar zit daarna niet bij de pakken neer. In de honderden bladzijden die volgen op de vermeende doodsaanzegging treft Maud onvermoeibaar maatregelen om haar vroegtijdige dood te ondervangen. De diagnose blijft duister, maar aangezien deze Maud in onder meer Het beest met de twee ruggen (1995) weer opduikt, valt af te lezen dat zij niet aan een tumor ter grootte van een tennisbal is bezweken.

De ‘sterfzonde’ die ze in haar vierde boek op een aanstekelijke manier introduceerde, is nooit meer weggeweest uit haar werk. In elk boek liggen de hypochondrie, de doemdenkerij, de zelfonderschatting op de loer. De gedachte dat elk streven vergeefs is omdat aan alles nu eenmaal een einde komt, is alomtegenwoordig. Tegelijk wordt ook steeds geprobeerd om die sterfzonde, de angst voor ziekte en dood, de kop in te drukken, te bezweren met ‘Magische Formules’, met aforismen, met allerlei weetjes en anekdotes, met een stroom aan gedachten en overwegingen en met veel zinnen waarin geteld wordt en klok gekeken. ‘Het was kwart over twaalf, we naderden Haarlem en ik was al veertieneneenhalf uur pijnscheutvrij’ (Sterfzonde). En in Sint-Juttemis (2005): ‘De metro stopte voor de vijfde keer, ik was nog zes haltes verwijderd van mijn station in het 14de arrondissement.’

Een andere typische Stahlie-observatie is dat een mens voor een groot percentage uit water bestaat. In Sterfzonde was dat nog 90 procent maar in haar nieuwe roman, Scheerjongen, is dat getal bijgesteld, volgens nieuwe wetenschappelijke inzichten neem ik aan, naar 70 procent. De jonge hoofdpersoon, Aldo Rossi (geen familie van de beroemde architect), zinspeelt geregeld op het waterige gehalte van de mens en op zijn 30 procent ‘uitlekgewicht’. Dat water zijn favoriete element is, valt ook op te maken uit de vele glazen water die hij drinkt, de vele verwijzingen naar de Amstelrivier en naar zijn beroepsperspectief: hij wil ‘irrigatiedeskundige’ worden.

Deze Aldo Rossi, half Italiaans, half Nederlands, zien we opgroeien van zijn veertiende tot zijn zestiende. Hij is geen flierefluiter, maar een bloedserieuze jongen. IJverige vwo-scholier, drummer in een bandje, een brave zoon die zijn hardwerkende ouders respecteert, geduldige broer van de achtjarige Giu, zorgzame neef, lieve bejaardenoppasser. Als Aldo verliefd is, steevast op onbereikbare meisjes, dan is hij ook echt verliefd. Maar net als andere Stahlie-personages is hij besmet met het sterfzondevirus, zodat hij niet erg zeker is van zijn zaak. Als zijn Italiaanse opa, kapper van beroep, hem inpepert dat hij een weekdier is, een slappeling zonder idealen, omdat hij snottert om een meisje dat hem in de steek heeft gelaten, neemt hij meteen een kloek besluit. Van ‘scheerjongen’, kappersleerling, wil hij, in navolging van zijn opa, een echte man worden, een nazaat van de stoere bewoners van ‘het Naakte Zuiden’. Natuurlijk wordt een scheerjongen niet zomaar groot. En dus zien wij hem tobben over zijn overspelige moeder, spijbelen van school en nieuwe blauwtjes lopen.

Scheerjongen is een onderhoudende en avontuurlijke, maar ook wel wat steriele roman over een puberjongen die zijn plek in de grote boze wereld aan het vinden is. Steeds opnieuw verliest hij zijn hart aan net iets te oude meisjes. Zelf is hij ook een beetje oud voor zijn leeftijd. Het probleem is dat wij Aldo zelf niet in beeld krijgen, maar dat er steeds een volwassene in de weg staat die hem van alles influistert. ‘Hoe wild en vreemd was het’, verzucht hij, ‘om zestien jaar te zijn en om in vuur én in vlam te staan’. Dat vurige én vlammende, dat stáát er wel, maar dat spreekt nergens uit. Als Aldo zich zorgen maakt over ‘de mateloosheid van zijn ontvankelijkheid’, dan blijft ook dat een papieren, theoretische kwestie. In een roman als Sterfzonde, of in een verhalenbundel als Zondagskinderen slaagde Stahlie erin een mooi evenwicht te vinden tussen ernst en humor en tussen gevoel en verstand. Daardoor wist ze de doodsangst en de levensdrift van haar figuren overtuigend over te brengen. In Scheerjongen staan de vaak net iets te stroeve en nadrukkelijke formuleringen zo’n gevoelsoverdracht in de weg. We lezen veel over Aldo, maar de bijbehorende gevoelens blijven steken in taaie, omslachtige taal. ‘Niet alleen het leven van zijn lichaam ging verder’, staat er in het tweede hoofdstuk over de ontwikkeling die hij als puber doormaakt, ‘er vonden ook verschuivingen plaats in het leven van zijn affecten en in het leven van zijn geest.’ In het laatste hoofdstuk zijn we er getuige van hoe Aldo op bezoek gaat bij een bejaarde in het verzorgingstehuis.

De man zit al een half jaar verstard en zwijgend in zijn rolstoel, maar zijn ‘smeulende’ oogopslag nodigt onze held uit tot een stortvloed van vertrouwelijkheden. ‘Terwijl hij de deur opende en de kamer in liep, rukten er hete tranen op achter zijn ogen’, lezen we, ‘of waren het zijn aanzwellende gedachten, op zoek naar welke uitweg ook?’

De boodschap van de roman is in elk geval duidelijk. Deze scheerjongen is geen doorsneepuber en ook bepaald geen dooie diender, maar een gevoelsmens in de dop. Een idealist, een schoonheidsaanbidder, een sympathieke jongen met het hart op de juiste plaats, met wie het helemaal goed gaat komen. Ik had graag van hem willen houden, maar van zijn hooggestemde woorden en gedachten zal ik mij, over een tijdje, niets meer kunnen herinneren, ben ik bang. Aan hem zal ik dus niets hebben als ik onverhoopt weer eens in een wachtkamer zit.