Schrijven als een 16-jarige is verschrikkelijk

Perihan Magden: Twee meisjes. Een liefdesges-chiedenis. Vertaald door Hamide Dogan. Athenaeum. 304 blz. €19,95

Wie over adolescenten schrijft, staat voor een dilemma. Iedere levensfase kent haar eigen dwalingen, maar niets wekt zo gemakkelijk de spot als de belevingswereld van een adolescent. Zelfs op het oog aangepaste jongeren lijken buitenaardse wezens als je hun dagboek leest.

De volwassen schrijver die een zestienjarige hoofdpersoon opvoert, is geneigd diens heftige emoties omwille van de leesbaarheid te temperen door ironische distantie. Het gevaar bestaat dan dat hij wel een goede impressie van zijn superieure humor geeft, maar niet van een authentieke adolescent.

Een schrijver kan ook de tegengestelde keuze maken en zijn opgroeiende hoofdpersoon volledig serieus nemen. Dat heeft Perihan Magden (1960) gedaan in haar roman Twee meisjes. Het resultaat is verschrikkelijk.

Het verhaal speelt zich af in het hedendaagse Istanbul. Behiye, zestien jaar, is aan de gezette kant. Ze houdt niet van zichzelf, niet van haar vader en moeder, en met haar broer verkeert ze op voet van oorlog. Behiye is afwisselend zwaar gedeprimeerd en woedend op de hele wereld. Ze gedraagt zich egoïstisch. Wel is ze ontzettend intelligent, origineel en humoristisch. Althans, dat zeggen andere personages voortdurend tegen haar; van deze gaven merkt de lezer helaas niets.

Perihan Magden schept geen enkele afstand tot haar personage: ‘Ze valt uit elkaar van ellende. Als een ruïne, in puin. Ze is intens verdrietig. Behiye. Trekt. Het. Niet langer. Niet meer.’ De schrijfster heeft de gewoonte alle emoties te benoemen, en voor de zekerheid te herhalen. Het wemelt in Behiyes brein van de grote woorden, zoals past bij een adolescent. Consequent relativeert Magden ze nooit – ze voorziet ze van kapitalen: ‘Was ze maar dood. Was Behiye maar DOOD.’

Het lot neemt een wending wanneer Behiye de aantrekkelijke Handan ontmoet. ‘Behiye merkt dat haar ziel wordt overweldigd door een intens geluk.’ Handan, toch ook al zestien, is een kind: als ze blij is klapt ze in haar handen, en als iets tegenzit begint ze meteen te huilen. Handan valt op jongens, Behiye vindt jongens verachtelijk. Daardoor is hun innige vriendschap vanaf het begin ongelijkwaardig.

Na enkele dagen van geluk is Behiyes nieuwe frustratie dat ze de aandacht van haar vriendin onvermijdelijk zal moeten delen. ‘Ze wordt overvallen door een GOLF VAN PANIEK.’ Het eindigt vanzelfsprekend in een groot drama.

Dat je over een zestienjarige schrijft, wil niet zeggen dat je op je hurken moet gaan zitten. De achterflap vermeldt dat Magdens romans in vele talen vertaald zijn. De vraag is WAAROM?