Schoolziek Rintje

Rintje is al een beetje te laat als mama hem op het schoolplein afzet. Hij rent naar zijn klas en komt binnen net voordat juf Wijskop de deur dicht wil doen.

Alle honden zitten al op hun plaats. Hijgend gaat Rintje op zijn kruk zitten.

Dat is vreemd! De plaats naast Rintje, waar Tobias altijd zit, is leeg.

Rintje steekt zijn poot in de lucht.

„Wat wil je vragen, Rintje?” vraagt juf.

„Weet u waar Tobias is?”

„Zijn moeder belde om te zeggen dat hij ziek is”, zegt juf Wijskop.

Rintje begrijpt er niets van. Gisteren heeft hij nog met Tobias in het park gevoetbald en toen was er nog niets aan de hand.

Als het speelkwartier begonnen is, gaat Rintje samen met Henriette naar buiten.

„Zullen we straks op ziekenbezoek gaan?” vraagt Henriette. „Dan nemen we iets lekkers mee en misschien kunnen we hem voorlezen.”

„Ja”, zegt Rintje, „de hele dag ziek in je mand, daar is niks aan. We gaan die arme Tobias opvrolijken.”

Als de school is afgelopen lopen Henriette en Rintje naar Rintjes huis.

„Mogen we zo naar Tobias?” vraagt Rintje aan mama. „Hij is ziek!”

„Dan heb ik nog wel iets gezonds voor hem”, zegt mama. Ze doet de ijskast open en pakt er een pannetje uit. „Hier zit wat sterke bouillon in van gisteren. Neem die maar mee. Daar knapt hij vast enorm van op!” Ze wikkelt de pan in een grote theedoek. „Ik breng jullie wel even met de fiets”, zegt ze.

Als ze even later bij het huis van Tobias aanbellen, doet zijn moeder open.

„Wat fijn dat Tobias zulke goede vrienden heeft”, zegt ze. „Ik breng jullie meteen naar hem toe.”

Tobias ligt in zijn mand. Je ziet hem bijna niet, alleen zijn neus steekt een stukje onder de dekens uit.

„Je vrienden zijn er”, zegt zijn moeder.

Nu komt heel langzaam de rest van Tobias’ hoofd tevoorschijn. Hij trekt een heel zielig gezicht.

„Ben je erg ziek?” vraagt Henriette bezorgd.

Tobias knikt heel ernstig. „Ja, ik voel me vreselijk”, zegt hij met een zacht stemmetje. „Fijn dat jullie er zijn.”

„We hebben soep voor je meegebracht”, zegt Henriette. „Je moeder warmt die nu op. Daar word je vast weer snel beter van.”

„Heel lief van jullie”, zegt Tobias. „Maar ik ben zo ziek dat ik helemaal niets meer lekker vind.”

„Zelfs geen saucijzenbroodje?” vraagt Rintje. Uit zijn rugzak pakt hij een papieren zakje. „Dan eten wij ze maar op.”

Net als Rintje een broodje aan Henriette wil geven, springt Tobias uit zijn mand. Kwispelend staat hij voor Rintje.

„Wat krijgen we nu?” vraagt Henriette. „Je was toch zo ziek?”

Tobias kijkt naar de grond. „Ik ben niet echt ziek”, zegt hij. „Ik heb gedaan alsof. Ik ben schoolziek. Ik had vandaag echt geen zin om naar school te gaan! Maar jullie mogen het niet verklappen hoor.”

Henriette geeft Tobias de helft van haar broodje. „We zullen het niet vertellen”, zegt ze, „als je belooft dat je er morgen weer bent.”

Even later komt de moeder van Tobias naar boven. Tobias duikt weer in zijn mand.

„Gaat het alweer een beetje met de zieke?” vraagt ze.

„We voeren hem wat soep”, zegt Rintje. „Dan is hij morgen wel weer beter.”