'Schande? Dit is de psychiatrische realiteit'

De psychiatrie kent soms alleen ongemakkelijke oplossingen – zoals bij Brandon, zegt auteur Miek Smilde. Wat belangrijk is? „Aandacht.”

© Jorgen Krielen / Amsterdam, 29-01-2011 / Miek Smilde

Miek Smilde was zeven jaar toen zij voor het eerst een psychiatrisch ziekenhuis bezocht. Hand in hand liep zij met haar vader door de gangen van Sint Franciscushof in Raalte, toen een vrouw hen de weg versperde. Smilde: „Op neuslengte ging zij voor mijn vader staan. Dokter, riep de vrouw, ik zie helemaal niets!” Smilde vond het bedreigend, maar kalmeerde toen zij zag dat haar vader rustig bleef. Sindsdien is zij nooit meer bang geweest voor een psychiatrische patiënt.

Van 1974 tot 1986 was Jan Smilde directeur-geneesheer van Sint Franciscushof. Als thuis de telefoon ging op een ongebruikelijk tijdstip, wist iedereen wat dat betekende: wéér een patiënt die zichzelf van het leven had beroofd. „Mijn vader liep naar de poef in de voorkamer, ging zitten en zuchtte even diep”, schrijft journalist Miek Smilde (44) in haar onlangs verschenen boek Raarhoek, waarin zij de neergang van Sint Franciscushof beschrijft. „Toen nam hij de hoorn van de haak en luisterde zwijgend [...] Hij rechtte zijn rug, keek ons aan en zei vrijwel toonloos: Mijnheer Ligthart heeft zich voor de trein gegooid.”

Na zo’n honderd gesprekken met (ex-)patiënten, omwonenden, verplegers en voormalig directieleden (onder wie haar vader) schetste Smilde de geschiedenis van de in 1967 geopende psychiatrische inrichting. De ooit zo moderne kliniek was in de jaren voor de sluiting, in 2009, hopeloos verouderd: verf bladderde van de muren, patiënten sliepen met z’n achten op één kamer en voor een dagprogramma was nauwelijks geld.

Raarhoek oogstte lof, maar ook kritiek. „Met name artsen hebben er moeite mee dat ik als journalist over hun vakgebied oordeel”, vertelt Smilde. „Toch heb ik nooit gepretendeerd dat ik een expert ben. Ik beschouw mezelf enkel als een verhalenverteller.”

Smilde schrikt er niet voor terug zich als niet-medicus in het publieke debat te mengen. Zo stelde zij onlangs op de radio dat de sluiting van grote psychiatrische ziekenhuizen – een maatregel die de integratie van geestelijk gestoorden moest bevorderen – een ongewenst neveneffect had: honderden bewoners belandden in de jaren 80 en 90 op straat, zonder begeleiding, geld of slaapplaats. Een mooi streven, die vermaatschappelijking van de zorg, maar niemand zat volgens Smilde op deze „geestelijk melaatsen” te wachten.

In dagblad Trouw nam Smilde het op voor de hulpverleners van de verstandelijk beperkte Brandon, die wegens zijn onvoorspelbare gedrag al drie jaar aan een muur wordt geketend. „Binnen de zwakzinnigenzorg en de psychiatrie bestaat een groep patiënten die soms zo onhandelbaar is dat een tijdelijke dwangmaatregel nodig is. Dat mag iedereen een schande vinden, maar het is wel de realiteit. Mensen die bestraffend naar hulpverleners wijzen, ontkennen die realiteit.”

Smilde begrijpt de verontwaardiging over de vrijheidsbeperking van Brandon. Haar vader hield geregeld lezingen over de dilemma’s van hulpverleners bij toepassing van dwangmaatregelen. En in haar boek beschrijft zij hoe zeven verpleegkundigen een agressieve patiënt naar een isoleercel dragen.

Smilde: „Het is ontzettend ingrijpend. In de eerste plaats voor de patiënt, maar ook voor de hulpverleners. Toch zet ‘schande’ roepen weinig zoden aan de dijk. We moeten debatteren: willen wij mensen in bedwang houden of niet? Als wij dat niet willen, dan zullen wij meer sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen moeten aanstellen, meer moeten investeren in dagactiviteiten en accommodaties. Daarmee kun je dwangmaatregelen niet voorkomen, maar het aantal zal wel afnemen.”

Brandon heeft volgens Smilde een hoge aaibaarheidsfactor – een van de redenen dat veel mensen het voor hem opnemen. Maar hoe zit het met de hoogbejaarden die tegen hun zin worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis?

Volgens de Inspectie voor de Gezondheidszorg is de gemiddelde leeftijd voor een dwangopname 46 jaar. Smilde vermoedt dat die leeftijd gaat stijgen. „Neem Koos Bolweg van 81. Zijn hele leven hard gewerkt, gelukkig getrouwd, leuk gezin, niets aan de hand. Tot zijn vrouw valt, haar heup breekt en tijdelijk wordt opgenomen in een verzorgingstehuis. Daarop verergert de sluimerende dementie van Koos. Hij vervuilt, wordt angstig, houdt mensen buiten de deur. Als zijn kinderen een keer zijn huis willen schoonmaken, probeert hij een van hen te steken met een broodmes. De man wordt gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting. Drie maanden later komt er weinig meer uit hem.”

Ouderen wachten in psychiatrische instellingen op hun dood, schrijft Smilde in Raarhoek. Onderschat de politiek het probleem? „Ik denk dat men geen idee heeft hoe dit op te lossen. Wij zijn erg gericht op verlenging van het leven, willen het liefst gebotoxt de kist in op ons honderdste. Maar de keerzijde durven we niet onder ogen te zien.”

Smilde vertelt hoe een bejaarde vrouw onlangs van driehoog naar beneden sprong omdat zij niet meer wilde leven. „Het toont aan hoe groot de noodzaak is om te praten over het levenseinde.”

De Beginselenwet die staatssecretaris Veldhuizen van Zanten (Volksgezondheid, VVD) onlangs presenteerde, wil de rechten van bewoners van zorginstellingen beter vastleggen. Een loffelijk streven, vindt Smilde, maar de vraag is wat je er mee opschiet. „Als deze wet erdoor komt, wordt het weer zoals vanouds: meer klachten, bureaucratisering bij de Inspectie, extra belasting van de rechterlijke macht. En wat mensen willen is maar één ding: aandacht.”

Smilde vertelt het verhaal van Eloïse, een ex-bewoner van Sint Franciscushof. „Al 20 jaar geen bezoek gehad. Ze leest, tekent, rookt en heel af en toe loopt ze naar het winkelcentrum. Ik heb met haar afgesproken dat ik haar over zes weken meeneem voor een uitje. Dát kun je niet afdwingen met wetten.”

Miek Smilde: Raarhoek, De Arbeiderspers, 309 blz. € 19,95

    • Danielle Pinedo