Rosenthal geeft toe: ik heb geleerd van zaak-Bahrami

Minister Rosenthal vindt nu ook dat hij meer had kunnen doen in de kwestie van de geëxecuteerde Zahra Bahrami. Makkelijk kwam die erkenning niet.

Zijn ambtenaren wisten het al. De Tweede Kamer weet het nu ook. Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) is maar heel moeilijk op andere gedachten te brengen.

Steken laten vallen rondom de kwestie Zahra Bahrami, de afgelopen zaterdag in Iran geëxecuteerde Nederlands-Iraanse? Rosenthal wilde er gisteren tijdens een spoeddebat in de Tweede Kamer lange tijd niets van weten. „Nederland heeft er binnen de gegeven omstandigheden alles aan gedaan om mevrouw Bahrami te redden”, zei hij steeds maar weer.

Maar dat was nu juist wat de Kamer betwijfelde. De brief die Rosenthal gisteren voorafgaand aan het spoeddebat naar de Tweede Kamer had gestuurd, met daarin een overzicht van alle ondernomen activiteiten, had slechts geleid tot extra vragen. Niet alleen bij de oppositie, ook bij coalitiepartner CDA. Had de minister niet eerder actie kunnen ondernemen en was niet te lang het spoor van de stille diplomatie gevolgd, wilde de Kamer weten. „Ik ben ervan overtuigd dat wij gedaan hebben wat wij konden”, bleef Rosenthal maar volhouden. Er was maar één autoriteit verantwoordelijk voor de dood van Zahra Bahrami en dat was de Iraanse regering, zei hij. Inmiddels hadden alle deelnemers aan het debat, met uitzondering van Rosenthals partijgenoot Atzo Nicolaï, zich achter de interruptiemicrofoons geposteerd.

Dat het Iraanse regime verantwoordelijk was , stond voor iedereen vast. Maar dan bleef de vraag of van Nederlandse zijde alles uit de kast was gehaald om de voltrekking van het doodvonnis te voorkomen. „Op alle mogelijke niveaus”, verklaarde Rosenthal daags na de executie van Bahrami in diverse media. Maar in zijn brief aan de Tweede Kamer erkende de minister gisteren zelf geen contact te hebben opgenomen met zijn Iraanse ambtgenoot. Dus niet op alle niveaus concludeerde D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold dan ook.

Volgens Rosenthal ging het om al het mogelijke wat je op een bepaald moment noodzakelijk acht. Hij had nog „opschalingsopties”, zoals een persoonlijke interventie, achter de hand gehouden. De Iraanse ambassadeur in Den Haag had immers gesuggereerd dat er nog tijd was om over de kwestie te spreken.

De Kamer vond dat hij te veel op de bezwerende woorden van het Iraanse regime was afgegaan. Volgens Kamerlid Frans Timmermans (PvdA) had Rosenthal nadat het doodvonnis tegen Bahrami op 5 januari was uitgesproken, drie niveaus overgeslagen: „Zelf heeft hij niets gedaan, de premier had nog iets kunnen doen en ons staatshoofd had nog iets kunnen doen. Dat zijn de drie niveaus die je in dit soort gevallen ter beschikking hebt.’’

Voor Rosenthal was dit het moment te erkennen dat achteraf gezien „meer nodig was geweest”. Want ook hij trok „een les” uit „deze vreselijke gebeurtenis en uit wat daaraan vooraf is gegaan”. De nacht van zaterdag op zondag, toen duidelijk was dat de executie zich had voltrokken, was „één van zijn slechtste nachten geweest”, zei hij. En hij stond dan ook niet voor de Tweede Kamer om zichzelf „op de borst te slaan.”

„Dit siert de minister” zei Timmermans. Bleef de vraag bij de Kamer: had hij dit nu niet eerder kunnen zeggen?