Politiek gedonder in het vaderland van rond 1900

D.Th. Kuiper en G.J. Schutte (red.): Het kabinet Heemskerk (1908-1913). Meinema, 199 blz. €18,90.

Het Kabinet Heemskerk (1908- 1913) ontlokt bij weinigen een kreet van herkenning. Hetzelfde geldt voor Aritius Sybrandus Talma (1864-1916). Er zijn historische onderwerpen die ons gevoerd moeten worden, willen we ze slikken. Op het Heemskerk-kabinet kom ik dankzij het 18de ‘Jaarboek voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800’, getiteld Het kabinet Heemskerk (1908-1913). Over de minister Economische Zaken in dat kabinet, Sybe Talma, is net de biografie De rode dominee verschenen, geschreven door Lammert de Hoop en Arno Bornebroek. De sociaal voelende Talma was van oorsprong predikant. Hij mocht dan volgens velen een rode hoed dragen, zijn kousen bleven altijd zwart. Een combinatie van tinten die de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) vaker zou vertonen, nadat de oud-testamentische geweldenaar en godfather Abraham Kuyper de macht eenmaal was ontfutseld. Kuyper kon als premier maar moeilijk met Koningin Wilhelmina door één deur. De deurpost was eenvoudigweg niet breed genoeg voor beide krachtgestalten. Kuyper was minister-president van 1901 tot 1905, brak de beruchte spoorwegstaking (1903), maar verloor de verkiezingen van 1905.

Dat pikte hij niet. Met de pest in ’t lijf ging hij langdurig op vakantie. Een uiterst breekbaar, liberaal kabinetje De Meester werd geformeerd, ARP-er Theo Heemskerk nam de oppositieleiding waar. Met vrucht. Al in 1907 viel het ‘porseleinen’ kabinetje op de begroting van het ministerie van Oorlog. Eigenlijk behoorden militaire zaken tot het specialisme van kamerlid Talma, de informeel opererende Heemskerk ging er als fractieleider zelf hard in. Ongebruikelijk, maar effectief. Krak. Kabinetje stuk.

Kuyper zat intussen weer vervaarlijk breed in de kamerbanken te wachten op een formatieopdracht voor een tweede kabinet onder zijn naam. Wilhelmina dacht echter aan haar deurpost en passeerde Kuyper voor Heemskerk, die zelf premier werd. Uiteraard gaf dat gedonder in de ARP-glazen. Talma speelde de grote verzoener en werd minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in het kabinet Heemskerk, tot op heden de langst zittende ministersploeg.

Veel respect heeft de in wezen nog 19de-eeuwse bestuurder Heemskerk niet gekregen. Niet echt een leider, maar dankzij hem kon de energieke Talma zijn Boterwet, Schepenwet, Visserijwet, Steenhouwerswet, Vogelwet, en Bakkerswet door de Kamer loodsen, en een ‘ouderdomsrente’ aan pensioengerechtigde 70-jarige arbeiders, de eerste collectieve oudedagsvoorziening. Onder Heemskerk ook trad in 1911 een even energieke minister op het Departement van Oorlog aan: Hendrik Colijn – Nederland zou nog van hem horen. Europa bevond zich intussen in een wapenwedloop op weg naar WO I. Nederland bleef buiten die oorlog, al is het de vraag of we dat op het conto van Heemskerk mogen schrijven. Curieus ‘met de kennis van nu in het achterhoofd’ is in dit verband de inspanning die men zich getroostte een kustverdedigingswet aangenomen te krijgen. Kustverdediging? Tegen de Engelsen? Dat moesten de Duitsers Colijn hebben ingefluisterd. Colijn ontkende. Hier wordt het opnieuw interessant. We gaan dit meteen nazoeken. Zo wordt ook de lezer van twee niet razend opwindende historiewerkjes over twee niet razend opwindende historische onderwerpen beloond, mits men vatbaar blijft voor prikkels, die een brede belangstelling pleegt te bieden.

Lammert de Hoop en Arno Bornebroek: De rode dominee A.S. Talma.Boom, 331 blz. € 19,90