Planten zijn beter dan machines

Een levenskunstenaar wilde hij zijn, geen machineman als zijn collega-constructivisten. De Hongaarse schilder en fotograaf László Moholy- Nagy had uiteindelijk grote invloed op de kunst en vormgeving van de 20ste eeuw, zo blijkt op een grote tentoonstelling in Den Haag.

Sinds Joseph Goebbels is het woord ‘totaal’ verdacht. Maar de Hongaarse kunstenaar László Moholy-Nagy (1895-1946) noemde zich al ‘totaalkunstenaar’ lang voordat de nazi-minister van propaganda aan het Duitse volk vroeg of het de ‘totale oorlog’ wilde. Al omstreeks 1920 ontwikkelde Moholy-Nagy (spreek uit: moholi-nodzj) zich tot een kunstenaar die vele disciplines van beeldende kunst en vormgeving beheerste, zo is te zien op De kunst van het licht, de aan zijn werk gewijde tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag. Die begint met een keurig kubistisch-expressionistisch landschapje uit 1918 – Moholy-Nagy was toen nog louter kunstschilder – maar verderop in de prachtige expositie is te zien dat Moholy-Nagy al gauw niet alleen schilderde, maar ook fotografeerde en filmde en ontwerpen maakte voor boeken, reclame, tijdschriften en interieurs. Ook maakte hij sculpturen, zoals zijn bekende Licht-Ruimte Modulator en ontwierp hij decors en kostuums voor het theater.

Moholy-Nagy was, kortom, een van de vele ‘constructivisten’ die bijna een eeuw geleden overal opdoken in Europa. Eigenlijk wilden hij en andere, vooral Russische constructivisten helemaal geen kunstenaar meer worden genoemd. Geen Gesamtkunstwerke moest de constructivist maken, vond Moholy-Nagy, maar Gesamtwerke die het dagelijks leven vormgeven – de kunst was opgelost in de vormgeving.

Met zijn constructivisme heeft Moholy-Nagy grote invloed gehad op de westerse vormgeving van de 20ste eeuw. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan de drastische koersverandering van het Bauhaus. Tot zijn benoeming tot ‘Meister’ aan de beroemdste vormgevingsschool van de 20ste eeuw was het Bauhaus een sekte van boekweit etende, mediterende, expressionistische kunstenaars; Moholy-Nagy zorgde ervoor dat het Bauhaus de bakermat werd van de modernistische vormgeving en architectuur.

Aan het Bauhaus in Weimar en later Dessau werd Moholy-Nagy een van de pioniers van de Nieuwe Fotografie. Hier begon hij met het maken van ‘fotogrammen’, gemaakt door licht te laten vallen op lichtgevoelig materiaal zonder tussenkomst van een camera (zie artikel hiernaast). Hierin onderscheidde hij zich niet van andere constructivisten, zoals de Rus Aleksandr Rodtsjenko, die andere schilder die een fotogrammen makende fotograaf werd. Wat Moholy-Nagy tot een bijzondere constructivist maakte, is dat hij zijn hele leven bleef schilderen. Terwijl veel Russische constructivisten de schilderkunst als nutteloze bourgeoiskunst afzwoeren, ging Moholy-Nagy ook in en na zijn Bauhaus-tijd verder met abstract schilderwerk.

Op de tentoonstelling in Den Haag, waar ruimtes met foto’s en fotogrammen en filmzaaltjes worden afgewisseld met zalen met schilderijen en theaterontwerpen, valt op dat Moholy-Nagy niet alleen in zijn fotogrammen ‘met licht schilderde’ maar ook in zijn schilderijen. Bijna nooit bestaan zijn delicate composities uit monochrome vlakken, zoals in die van Mondriaan of Malevitsj. Waar de cirkels, rechthoeken en andere geometrische vormen elkaar overlappen, veranderen ze van kleur en blijven de achterliggende vormen, ook in een iets andere kleur, zichtbaar. Zo lijken de vlakken doorschijnend en blijven zijn doeken ruimtelijk: anders dan voor veel andere modernisten was volledige platheid nooit Moholy-Nagy’s ideaal.

De Haagse versie van De kunst van het licht, die eerder in Madrid en Berlijn was te zien, kent een Nederlandse uitbreiding in de vorm van twee zaaltjes waar werk van Moholy-Nagy is samengebracht met dat van Nederlanders als de De Stijlkunstenaars Theo van Doesburg en Piet Mondriaan en de vormgevers Piet Zwart en Paul Schuitema. Niet alleen onderhield Moholy-Nagy jarenlang contacten met deze Nederlandse avant-gardisten, maar ook verbleef hij in de jaren 1934-1935 langdurig in Amsterdam – in 1935 trok de ‘entartete’ kunstenaar van joodse komaf, voor wie in Duitsland geen plaats meer was, verder naar Londen en, weer later, de Verenigde Staten. In Amsterdam was Moholy-Nagy hoofdontwerper van het tweewekelijks verschijnende tijdschrift International Textiles.

De reclames voor het textielbedrijf Viyella, die in Den Haag hangen, laten zien dat het werk van Moholy-Nagy in de jaren dertig minder streng was dan een decennium eerder. Met hun zwierige letters en veelkleurige, zorgvuldig gedrapeerde stoffen doen de pagina’s van International Textiles eerder aan weelderige barok dan aan hoekig constructivisme denken.

De relatief onbekende schilderijen die hij in zijn laatste jaren in de Verenigde Staten maakte, kennen eenzelfde barokke zwierigheid, zo blijkt in een van de laatste zalen van de tentoonstelling. Nog steeds zijn ze abstract – anders dan bijvoorbeeld Malevitsj en andere Russen keerde Moholy-Nagy nooit terug naar figuratieve schilderkunst – maar de strenge, eenvoudige geometrische vormen van zijn composities uit de jaren twintig zijn veranderd in veelkleurige organische vormen.

Ook hierin stond Moholy-Nagy niet alleen. Het typografische werk van bijvoorbeeld Piet Zwart werd in die tijd ook organischer. Maar terwijl je je bij constructivisten als Zwart altijd afvraagt waar hun latere hang naar barok toch vandaan kwam, is die bij Moholy-Nagy een logisch gevolg van zijn opvattingen. Want anders dan de meeste constructivisten die de machine als hét symbool van het nieuwe, industriële tijdperk adoreerden, keek Moholy-Nagy van begin af aan liever naar planten en ontleende hij zijn ontwerpprincipes aan de biologie. Niet een machinekunstenaar wilde hij zijn, maar een levenskunstenaar.

Tentoonstelling: László Moholy-Nagy. De kunst van het licht. T/m 1 mei 2011. In: Gemeentemuseum, Den Haag. Catalogus (Nederlands) €49,50