Oversekste vrouwen met kleinemeisjesmaniertjes

Den Haag, 15-01-2011. Beeld uit de voorstelling "Faust" bij Het Nationale Theater, regie Johan Doesburg. Met o.a. Jaap Spijkers ,Stefan de Walle en Sophie van Winden. Foto Leo van Velzen.
Den Haag, 15-01-2011. Beeld uit de voorstelling "Faust" bij Het Nationale Theater, regie Johan Doesburg. Met o.a. Jaap Spijkers ,Stefan de Walle en Sophie van Winden. Foto Leo van Velzen.

Opvallend vrouwbeeld in het theater. Twee heel andere voorstellingen, twee totaal verschillende regisseurs – allebei weliswaar man, maar daarmee houdt de vergelijking op. David Geysen (1975) regisseerde bij Toneelgroep De Appel Euripides’ tragedie Bacchanten (406 v. C). Johan Doesburg (1955) waagde zich aan Goethes Faust I & II (1808/1831). Beide voorstellingen zijn – grotendeels – geslaagd; groots, magisch en meeslepend, maar desalniettemin zit mij iets dwars: een opvallende en onaangename overeenkomst in beider vrouwbeeld.

De bacchanten in Bacchanten zijn meestal nimfen die de God Dionysos vereren, maar ook sterfelijke vrouwen kunnen tot zijn harem komen, zoals Agaue gebeurt – over haar straks meer. Bacchanten staan bekend als wilde vrouwen; ze verkeren in een Dionysische roes, dansen ongeremd en halfnaakt in het bos, geven zich over aan seks en geweld, verliezen zichzelf in hun lust. En hoe verbeeldt David Geysen deze ongetemde, oversekste dames? Hij laat ze duimzuigen.

Dan Faust. De gedesillusioneerde wetenschapper wordt na zijn beroemde pact door Mefistofeles meegenomen naar een heksenkeuken om daar een verjongingskuur te ondergaan. Ook heksen gelden van oudsher niet als frigide types; het zijn heidenen, ze leven dicht bij de natuur, en in de beroemde Walpurgisnacht, ook door Goethe beschreven, komen ze bij elkaar om in een extatische roes de kont van de duivel te kussen.

Maar in de keuken van Doesburg gaat deze losgeslagen, satanische vrouwenbende gehuld in korte, witte, verpleegstersuniformpjes, dragen de vrouwelijke wilden het haar in een frisse paardenstaart, kauwen ze meisjesachtig op gekleurde kauwgumballen en winden ze zo’n kauwgumsliert ‘verleidelijk’ om hun vinger.

Heksen en bacchanten – het zouden wilde vrouwen moeten zijn, maar bij Geysen en Doesburg krijgen ze de uiterlijke kenmerken en maniertjes van kleine meisjes. Beide mannen stellen zich bij een libidineuze vrouw dus een Lolita-type voor.

Nu lijkt me dit sowieso een subversieve seksuele voorkeur, maar hun slaapkamerfantasieën gaan mij uiteraard niet aan. Storender is het dat de kunst er onder lijdt: waar deze twee regisseurs in de rest van hun voorstellingen een verbluffende fantasiewereld weten op te roepen, manifesteert zich bij dit specifieke aspect een pijnlijk gebrek aan verbeelding.

Geile vrouw = Lolita, klaar.

De denkfout schuilt deels ook in het perspectief. Geysen en Doesburg lijken te hebben gezocht naar een beeld dat hun idee van sexy belichaamt, in plaats van zich te verdiepen in de lustbeleving van hun personages. Een bleu en onervaren schoolmeisje zijn, dat is niet bepaald het ideaal van de seksueel bevrijde vrouw, integendeel. Of het moet zijn in een – door haarzelf geïnitieerd – rollenspel.

In Bacchanten wordt David Geysen gered door actrice Geert de Jong (1951), die Agaue speelt, de losgeslagen moeder, de oervrouw, die in haar lust haar zoon verscheurt. Agaue is het tegendeel van Lolita: een rijpe vrouw, die een intens, zelf verkozen genot beleeft, al loopt dit desastreus af.

Losgebarsten natuurgeweld versus preutse pin-upplaatjes. Ik hoop dat Doesburg in zijn volgende voorstelling terugslaat.