Naar zee met 6.500 bakstenen

Voor een kunstwerk bij het Scheepvaartmuseum werden 17de-eeuwse bakstenen uit Nederlandse oud-koloniën gehaald. „Een dubbelzinnig project.”

Uit een van de stapels bakstenen pakt de Schotse kunstenaar Nathan Coley een slank geel exemplaar. „Deze baksteen is met de boot uit Australië gekomen. Maar hij komt oorspronkelijk uit Nederland.” Coley wijst op een muur die laag voor laag groeit onder de handen van twee metselaars. „Daar komt deze steen straks in. Na eeuwen is hij weer terug waar hij vandaan is gekomen. In Nederland, in Amsterdam.”

De gele baksteen werd in de zeventiende eeuw gebakken aan de oevers van de IJssel. Via Amsterdam werd hij verscheept naar de andere kant van de wereld. Nu is hij terug en zal deel zijn van een kunstwerk in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Aanstichter van die reis is Nathan Coley uit Glasgow. Hij kreeg de gelegenheid ertoe, doordat het Scheepvaartmuseum een ingrijpende verbouwing ondergaat.

Die verbouwing zal in september van dit jaar voltooid zijn (zie inzet). Volgens de zogeheten 1-procentsregeling, die bepaalt dat eenhonderste van het bouwbudget (in dit geval 68 miljoen euro) wordt besteed aan een kunstwerk. Nathan Coley (1967), die in 2007 werd genomineerd voor de Britse Turner Prize, won de prijsvraag van het museum met een plan voor het gebruik van oude en bereisde bakstenen in het museum. Coley stelde een werk voor dat uitgaat van de Nederlandse zeevaart in de Gouden Eeuw.

„Schepen verlieten de haven van Amsterdam zonder lading”, vertelt hij. „Als ballast namen ze bakstenen mee: goedkoop en makkelijk te hanteren.” Coley gooit ter demonstratie een baksteen van zijn ene hand in de andere: „In het land van bestemming werden de bakstenen uitgeladen om plaats te maken voor de lading. In het huidige Indonesië en het Caraïbisch gebied werden ze gebruikt om gebouwen van te maken.”

Coley had zich aanvankelijk voorgesteld om zo’n gebouw van Nederlandse bakstenen overzee te laten afbreken om dat in Amsterdam dan weer op te bouwen – onder de werktitel Bringing back the Ballast. Maar slopen in de tropen bleek onhaalbaar: „Die gebouwen zijn geen Nederlands erfgoed meer, maar Aziatisch en Caraïbisch erfgoed.”

In plaats daarvan kocht het museum 6.500 bakstenen, restanten van een vestingmuur uit de zeventiende eeuw, in Den Bosch. De stenen werden in een container geladen en die container begon in Rotterdam aan een zeereis langs de voormalige Nederlandse handelsposten en koloniën.

Coley spreekt van ‘re-enactment’. Dat is een populaire kunstvorm die bestaat uit het naspelen van gebeurtenissen uit het verleden. Het schip deed met die 6.500 stenen eerst Zuidoost-Azië en Australië aan. Toen voer het terug naar Rotterdam, ging weer door naar Suriname en de Nederlandse Antillen en uiteindelijk naar Amsterdam.

Op plaatsen waar de Nederlanders lang vertoefden werden, in plaats van specerijen en slaven, tijdens de boottocht tientallen bakstenen opgehaald. Op die manier werden van een maritiem museum in Australië gele IJssel-stenen opgehaald, die afkomstig zijn uit het ruim van de Vergulde Draeck. Dit VOC-schip verging in 1658 voor de kust van wat toen nog Zuidland heette. Bij een berging in 1972 vonden archeologen een massa kruiken, stenen pijpen, trommelstokken, fragmenten van leren schoenen – en bakstenen.

„Van alle stenen weten we waar ze vandaan komen, alles is gedocumenteerd”, zegt Coley. „Maar dit project is ook een kwestie van vertrouwen. De toeschouwers moeten maar geloven dat ik iets vertel wat ook echt waar is. Dat maakt dit project dubbelzinnig en een beetje ongemakkelijk.”

De Nederlandse scheepsreizen waren volgens Coley „een combinatie van kapitalisme, kolonialisme en nieuwsgierigheid naar de rest van de wereld”.

Het ongemakkelijke zit ’m ook in de muren die nu worden gemetseld in de hal van het Scheepvaartmuseum, rond de grote trap. De muren krijgen verschillende hoogtes. Ze lopen her en der trapsgewijs af en bedekken gedeeltelijk strakgestucte nissen en zelfs stukken raam. En tussen de Bossche metselstenen komen als strooigoed de afwijkende stenen uit Australië, Singapore, Suriname en Sint Eustatius.

Coley: „Het kunstwerk is een mengeling van architectuur en sculptuur. En het combineert cultuur en politiek – politiek met de kleine p van people.”

De bakstenen hebben iets grilligs: duidelijk gevormd met de hand. Ze zijn niet overal even dik, ze vertonen inkepingen. Metselaar Robert Hagen vindt ze „heel zacht. En er zit een soort vettig laagje op. Voel maar. Je zou die muren over een paar jaar zo weer uit elkaar kunnen halen.” Dat is niet helemaal ondenkbaar, zegt Joost ten Bruggencate, die de uitvoering van het project begeleidt: „Als de muren ooit worden afgebroken, zijn we gehouden de stenen terug te geven.” Die teruggave is vastgelegd in de koopcontracten. „Want eigenlijk willen ze in Suriname en op Sint Eustatius de bakstenen zelf gebruiken voor restauratie van de forten.”

De metselaars in het Scheepvaartmuseum metselen weer een laag bakstenen uit vervlogen tijden in de muur. Eerst zijn de gele stenen aan de beurt. De zwarte stenen uit Suriname liggen te wachten in het water, zoals dat moet met harde bakstenen. Coley geeft de metselaars aanwijzingen over de plaatsing. Hij wijst naar die IJsselsteen in de muur. Daar zijn er maar een paar van: „Kijk, daar zit hij dan, de steen uit Australië.”

    • Karel Berkhout