Liberalen verliezen pleit van fundamentalisten

Onder druk van partijgenoten heeft een politicus haar voorstel tot aanpassing van Pakistans blasfemiewet ingetrokken. „Dit riekt naar capitulatie voor fundamentalisten.”

Pakistani students look out of a bus' window after taking part in a rally to protest against any attempts to modify blasphemy laws, in Karachi, Pakistan, Thursday, Jan. 20, 2011. Around two thousand school children gathered in Pakistan's largest city on Thursday showing their support for the country's blasphemy laws. (AP Photo/Fareed Khan)
Pakistani students look out of a bus' window after taking part in a rally to protest against any attempts to modify blasphemy laws, in Karachi, Pakistan, Thursday, Jan. 20, 2011. Around two thousand school children gathered in Pakistan's largest city on Thursday showing their support for the country's blasphemy laws. (AP Photo/Fareed Khan) AP

De Pakistaanse oud-minster van Informatie, Sherry Rehman, geeft haar pogingen op de omstreden wetgeving ten aanzien van godslastering in haar land te hervormen. Ze capituleert omdat haar partij, de Pakistaanse Volkspartij (PPP) van president Asif Ali Zardari, haar heeft geïsoleerd en te kennen heeft gegeven niets te willen veranderen aan de huidige blasfemiewet.

De 50-jarige Rehman, voorvechter van persvrijheid en vrouwenrechten in Pakistan, heeft dat gisteren laten weten. Afgelopen woensdag zei premier Yousuf Raza Gilani in het parlement dat de regering geen enkele intentie heeft om de wet te veranderen. „We zijn allemaal unaniem dat niemand de wet wil veranderen”, benadrukte de premier.

Volgens de liberale krant The Dawn riekt de houding van de regering naar „capitulatie” voor fundamentalistische kringen, en belooft de gang van zaken „weinig goeds voor de gematigde krachten in het land”.

De controverse over de omstreden blasfemiewet, in de jaren tachtig opgesteld door de fundamentalistisch gezinde militaire leider Zia ul-Haq, laaide vorige maand op door de moord op de gouverneur van de provincie Punjab, Salman Taseer. De gouverneur werd begin januari bij een winkelcentrum in de hoofdstad Islamabad doodgeschoten door een lijfwacht omdat hij openlijk had gepleit voor versoepeling van de strenge wetgeving. De moord zorgde voor grote opschudding. In brede lagen van de bevolking wordt de dader, Mumtaz Qadri, als een held afgeschilderd. Fundamentalistische en extremistische partijen zeggen dat Qadri zijn plicht als rechtschapen moslim heeft gedaan. Ze willen hem tot het uiterste verdedigen.

Het optreden van premier Gilani in het parlement wordt gezien als een poging van de in naam seculiere PPP-regering om de fundamentalistische oppositie te pacificeren. Toen de premier woensdag had verzekerd dat de regering, noch de parlementsvoorzitter de benoeming van een commissie overweegt om zich te buigen over aanpassing van de blasfemiewet, zoals in sommige mediaberichten was gesuggereerd, werd die mededeling met gejuich ontvangen.

Sherry Rehman stapte in maart 2009 op als minister van Informatie na een conflict met president Zardari over beperking van de persvrijheid. Ze voerde al langer campagne tegen misbruik van de blasfemiewet, waarbij vermeende godslasteraars vaak op zeer dubieuze gronden ter dood worden veroordeeld. Een maand geleden, vlak na de moord op de gouverneur, liepen tienduizenden fanatieke betogers te hoop in de havenstad Karachi, de woonplaats van Rehman. Haar woning werd bewaakt, en de autoriteiten lieten haar voorzichtig weten dat het wellicht beter was dat zij naar het buitenland zou uitwijken. „Ik ga nergens naar toe en ik ben niet van plan te wijken voor bedreigingen tegen mij”, liet ze toen weten.

Gisteren ontkende ze in haar verklaring dat premier Gilani met haar had overlegd over het niet-indienen van voorstellen om de wet te veranderen, zoals hij had beweerd. „Maar aangezien de premier kennelijk heeft besloten dat er niet kan worden gediscussieerd over procedurele amandementen, moet ik mij als parlementslid neerleggen bij het standpunt van de partijleiding”, zei ze.

Volgens Rehman is de kwestie „onnodig gepolitiseerd”. „Van geen enkele moslim kan worden verwacht dat hij of zij de naam van de profeet niet beschermt”.

Zulk onrecht geldt bij voorbeeld de doodstraf die is uitgesproken tegen Asia Bibi, een christen, die in juni 2009 ruzie kreeg met moslimvrouwen in haar dorp die weigerden water te drinken dat ze hun had aangeboden. De vrouwen beschuldigden haar daarop de naam van de profeet Mohammed te hebben beledigd. Gouverneur Taseer was enkele maanden geleden demonstratief bij haar in de gevangenis op bezoek gegaan – wat de woede opwekte van zijn latere moordenaar.

In Pakistan zitten honderden mensen in de gevangenis wegens vermeende godslastering. Volgens critici zijn vooral minderheden het doelwit onder de draconische wetgeving. Vaak ook worden persoonlijke vetes zo beslecht.

Deze week nog drong Human Right Watch aan op vrijlating van een 17-jarige schooljongen uit Karachi die vorige week werd opgepakt omdat hij de profeet zou hebben beledigd tijdens een schriftelijk examen. Wat hij opschreef, is niet bekend. „De politie heeft verklaard dat zij niet precies kan rapporteren wat op het examenpapier was geschreven, want dat zou ook neerkomen op blasfemie”, aldus Human Right Watch.