Laten we eerst Sahar redden – en daarna het Afghaanse volk

Idealisme – gemakkelijk is het niet. De afgelopen week gebeurde er veel wat ons twintig of zelfs tien jaar geleden nog euforisch gemaakt zou hebben, ons het gevoel gegeven zou hebben dat het met de wereld weer een beetje de goede kant op ging. Een humanitaire missie naar Afghanistan, een revolutionaire lente in de Arabische wereld, als we ons best doen kunnen we ons herinneren hoe dat vroeger voelde. Ik bedoel: naïef optimisme.

Nu kan daar geen sprake van zijn: we weten te veel, we hebben te veel meegemaakt. Toen na de revolte in Tunesië ook de Egyptenaren massaal de straat opgingen, viel hier en daar voorzichtig het jaartal 1989 – het jaar waarin het communisme spontaan implodeerde. Maar al snel dook er in het commentaar een ander jaartal op: 1979 – het jaar dat Iran zichzelf bevrijdde van de Sjah en er Khomeini voor terugkreeg. Weinig mensen betreuren het vertrek van Mubarak, maar iedereen is bang voor een machtsvacuüm – de zwartste scenario’s dienen zich aan. Overal worden verheugde Egyptenaren geconfronteerd met onze doorleefde scepsis: hoezo een einde aan de corruptie? Hoezo geen moslimfundamentalisme? Hoezo vrije verkiezingen, het einde van politieterreur, een vrije pers? Wat zijn dat voor naïeve maakbaarheidsfantasieën? De mullahs staan klaar in de coulissen, de economie zakt verder in, het leger bereidt zich voor op een genadeloze terreur. Geniet van je moment van vrijheid – het is zo voorbij.

In het geval van de politietrainingsmissie (proef dat woord) naar Afghanistan zit het wantrouwen nog dieper. Denken we echt nog dat we daar het verschil kunnen maken? De geschiedenis in het algemeen, en de geschiedenis van Afghanistan in het bijzonder, leert ons dat je democratie niet kunt opleggen, dat beschaving een heel lang proces van vallen en opstaan is, en dat Afghanistan een geopolitiek moeras is, waarin nu al eeuwenlang zowel verblinde idealisten als geharde Realpolitiker roemloos ten onder gaan. Bevrijding, democratie, emancipatie, verlichting, prachtige woorden zijn het, maar breng ze in contact met de Afghaanse werkelijkheid en ze spatten in je gezicht uiteen.

„Het is een eigenzinnige, eigenwijze missie geworden”, verkondigde Jolande Sap, het nieuwe boegbeeld van GroenLinks, gisteren in de Volkskrant. Alleen die twee woorden al; de taal van Esta en Linda, niet die van de Talibaan. Het eisenpakket dat Sap zo parmantig bij de regeringspartijen op tafel legde, lijkt nergens naar de Afghaanse werkelijkheid te verwijzen. Sap: „Er is een ontbindende voorwaarde vooraf: de Afghaanse autoriteiten moeten garanderen dat de getrainde rekruten niet worden ingezet in de oorlog.” Sap wordt her en der geprezen, omdat ze uitermate handig het initiatief naar zich toe heeft getrokken, maar ze speelt overduidelijk op een Haags schaakbord, niet op een Afghaans. De reden dat zoveel burgers tegen de missie zijn, is dat men er domweg niet in gelooft.

Zowel op links als op rechts heeft het revolutionaire elan een flinke knauw gekregen. Idealisme wordt nu beschouwd als een kwalijke aandoening. Er zijn te veel verwachtingen in bloed gesmoord, te veel mooie woorden gebruikt om gruwelen goed te praten, we hebben te veel ervaring met de geschiedenis om nog in een nieuwe wereld te geloven – laat staan in de nieuwe mens. Links was al langer gedesillusioneerd en raakte in verwarring toen begin deze eeuw de bevrijdingsideologie ineens door rechts leek te zijn overgenomen – ik herinner me nog de rechtse jubelzangen, toen het standbeeld van Saddam Hussein in Bagdad met slippers werd afgeranseld. Ook het neoconservatieve revolutionaire elan is ten onder gegaan, eerst in Irak en vervolgens in Afghanistan. Met Bush is ook de Bush-doctrine verdwenen; laten we ons verschansen in onze eigen kleine wereld, is nu het devies. De geschiedenis zal nooit ten einde komen, de mens zal altijd de mens blijven en wie gelooft dat Afghanistan – denk aan de Britten, denk aan de Russen, denk aan de Amerikanen – een stabiele democratie zal worden, is gek.

Dacht je er tien jaar geleden zo over, dan was je een zwartkijker. Nu ben je realist.

Toch knaagt er iets. Het geloof in gewapende humanitaire interventie mag dan op de schroothoop van de geschiedenis liggen, betekent dat dat iedere vorm van idealisme bij voorbaat verdacht moet zijn? Moet je accepteren dat de wereld te groot is, te menselijk, om er als Nederlander nog hoopvolle verwachtingen op na te houden?

Afgelopen week speelden twee zaken die een wrang licht werpen op het besluit van de regering om een trainingsmissie naar Afghanistan te sturen. Minister Leers besloot in beroep te gaan in de zaak-Sahar, het Afghaans-Friese meisje van 14 dat inmiddels tien jaar in Nederland woont en naar het haar volkomen vreemde Afghanistan dreigt te worden gestuurd. De rechter heeft uitzetting verboden; Leers heeft begrip voor de situatie, blablabla, maar regels zijn regels. Dat het gezin lang in Nederland woont en een westerse leefstijl heeft, zegt Leers, komt door de eigen keuzes. Sahar zou zich kunnen aanpassen aan de Afghaanse cultuur. Hij zei het echt.

Een paar dagen later ging minister Rosenthal languit nadat bekend werd dat de Nederlandse-Iraanse Zahra Bahrami in Iran was opgehangen. Toen er geluiden klonken dat de Nederlandse regering bepaald niet alles op alles had gezet om het leven van Bahrami te redden, beet Rosenthal als door een wesp gestoken van zich af. Al het mogelijke was gedaan – waarom dacht je dat het stille diplomatie wordt genoemd? Achteraf bleek die diplomatie zo stil geweest te zijn dat ze er in Iran niets van gemerkt hadden. „Er was meer nodig geweest”, erkende de minister donderdag deemoedig.

Zo kan ik het ook: je hebt de mond vol van humanitaire missies, maar je bent kennelijk niet in staat tot humane politiek. Voor de Zahra Bahrami is het te laat. Wellicht was ze niet te redden; beschamend blijft het dat de regering niet alles op alles heeft gezet. Maar dan is er de kwestie-Sahar. Ik wil niet voor de lezers van NRC Handelsblad spreken – bovendien hebben die net een enerverende stormloop op de helpdesk van T-Mobile achter de rug. Maar stel dat de volgende rechter minister Leers gelijk geeft, laten we haar uitzetting dan zomaar gebeuren, omdat „regels regels zijn?” Ik hoop van niet; als het recht te veel afwijkt van wat je rechtvaardig vindt, is het tijd voor burgerlijke ongehoorzaamheid. In het licht van een eventuele uitzetting van Sahar en haar familie naar Afghanistan, is een politietrainingsmissie naar hetzelfde land een absurditeit.

Tegen de verslaggever van Pownews piepte Leers dat het om twee verschillende zaken gaat.

Nee.