Is die kwab een mond?

De Engelse beeldhouwer Tony Cragg is een gevestigde naam, die zijn werk voor vele tonnen verkoopt. Maar zijn recente beelden zijn ook glad en verstard, zo blijkt op zijn expositie in het Louvre.

Macht en kunst – het is een combinatie waar je weinig over hoort, maar waar Tony Craggs expositie in het Louvre vol mee lijkt te zitten. Natuurlijk, het scheelt dat Figure out/ Figure in wordt gehouden op de twee Louvre-binnenhoven, die vol staan met semi-klassieke achttiende-eeuwse werken van vergeten beeldhouwers als Pierre Lepautre en Antoine Coysevox – beelden die vooral de status en de culturele kracht van het Franse Hof moesten bevestigen.

Daar heeft Craggs werk op het eerste gezicht weinig mee te maken. Zijn beelden, groot en meestal opgetrokken uit hout of brons, doen er juist alles aan hun eigen bestaan in twijfel te trekken: de grillige, schijnbaar abstracte vormen lijken te trillen in de tijd. Tegelijk hebben ze ook wel iets van zogenaamde anamorfoses: beelden die abstract lijken, maar die, als je ze onder een bepaalde hoek bekijkt, toch realistisch zijn, of op zijn minst figuratief. Is die uitstulping, daar in The Runner (2009) bijvoorbeeld geen neus? En die kwab eronder: is dat een mond? En is Accurate figure (2010) niet simpelweg een stapeling van gezichten waarbij iedere lip ook best een wenkbrauw zou kunnen zijn en iedere neus een oogkas?

Maar Craggs beelden doen ook denken aan Benito Mussolini. Of beter: aan de klassieke buste die de futurist Renato Bertelli in 1933 van Il Duce maakte. Dit spectaculaire beeld, Profilo continuo del duce, is een klassieker in zijn soort waarvan verschillende kopieën circuleren in musea over de hele wereld. Het ziet eruit alsof de beeldhouwer Mussolini’s hoofd op een staak heeft geprikt en heel snel in de rondte draait – zo hard dat je alleen nog maar zijn profiel kunt zien.

Je beseft dat Bertelli en Cragg een typische beeldhouwersparadox op dezelfde manier willen oplossen: allebei willen ze maximale beweging tonen zonder de stilstand aan te tasten. Bertelli en Cragg laten allebei de beweging zover over de stilstand triomferen dat het oorspronkelijke model nauwelijks meer herkenbaar is – en je er als toeschouwer geen grip op krijgt. En het wonderlijke is: normaal zou je bij Craggs beelden misschien niet meteen aan Bertelli denken, maar hier, in het Louvre, tussen al die Franse machtskunst rijmt Craggs bewegingsfascinatie onmiskenbaar met die van zijn futuristische collega.

Het feit dat hij een beeld van een atleet neerzet bijvoorbeeld (Runner, 2009) of een beeld dat Elbow heet en vooral naar kracht en lenigheid verwijst. Ineens besef je dat beweging en dynamiek niet altijd voor vernieuwing hoeven te staan, maar evengoed kracht, macht en bevestiging kunnen symboliseren – Mussolini was ook al zo enthousiast over Bertelli’s futuristische portret dat hij de buste als officiële representatie accepteerde.

Daarmee is Craggs worsteling met macht nog niet afgelopen. Die wordt namelijk nog versterkt door de manier waarop Cragg zijn beelden tegenwoordig uitvoert. Cragg (1959) behoort tot de generatie Engelse beeldhouwers die begin jaren tachtig opkwamen met beelden waarin ze onderzochten hoe je abstracte beelden door vorm en materiaalgebruik toch zo aantrekkelijk, bijna lijfelijk mogelijk kon maken – Anish Kapoor is een generatiegenoot, net als Richard Deacon en Antony Gormley. Aanvankelijk maakte Cragg wandsculpturen die nog het meest weg hadden van mozaïeken van beschilderde alledaagse voorwerpen, zo losjes vastgezet dat zijn composities elk moment weer uit elkaar leken te kunnen vallen.

Later begon hij steeds meer de grenzen van de sculptuur te onderzoeken: grote, grillige, weelderige vormen maakte hij, die deden denken aan ronddraaiende torens of bewegende hoofden en die hun spanning steeds vaker ontleenden aan de vraag of ze nu bewogen of stilstonden. Cragg leek er daarbij eer in te stellen precies tussen die twee te blijven balanceren – de spanning, het gevoel dat ze elk moment zouden kunnen gaan trillen of imploderen maakte ze goed. Maar langzaam leek hij steeds meer door de beheersing van die vorm te worden opgeslokt: zijn beelden werden gladder, perfecter en Cragg ging steeds vaker de computer gebruiken om zijn beelden nog grootser en complexer te maken. Dat de tijdgeest zich vanaf het midden van de jaren negentig steeds minder voor dit soort vormexperimenten interesseerde leek hem daarbij nauwelijks te deren. Cragg had zich erbij neergelegd dat hij niet langer tot de avant-garde behoorde, maar dat hij een gevestigde naam was die in alle rust zijn onderzoek deed. Bovendien brachten zijn ‘modern klassieke’ beelden op beurzen vele tonnen per stuk op. Wat zou daar in vredesnaam mis mee kunnen zijn?

Maar in het Louvre besef je ineens dat er wel degelijk wat misgaat: Cragg is in zijn eigen mes gelopen. Wie zijn werk in Parijs ziet beseft ineens dat Cragg op dit moment in alle opzichten lijkt op de oudere gearriveerde kunstenaar die zijn stijl als een merk is gaan zien en voornamelijk werkt voor de markt. In de binnenhoven van het Louvre moest ik steeds vaker denken aan de expositie van nieuw werk van Wim Delvoye, die de afgelopen maanden in Brussel werd gehouden. Delvoye was ooit een kunstenaar die provoceerde met een mozaïekvloer van drollen, die varkens tatoeëerde en een volautomatische poepmachine uitvond. Nu is hij beroemd geworden en exposeert hij bustes en doornenkronen gebaseerd op – inderdaad – het principe van de anamorfose. Maar al die beelden waren flauw en mislukt, omdat Delvoye een ding over het hoofd zag: als je werkelijk beweging wilt suggereren, dynamiek, onafheid, moet je je beelden niet laten stollen in gestaalde perfectie.

En dat is precies dezelfde paradox waarin Cragg nu verwikkeld zit: de kunstenaar die beelden wil maken over dynamiek en beweging is zelf vast komen te zitten in zijn vorm. Het is pijnlijk om te zien: zijn beelden lijken soms bijna te spartelen om aan hun eigen verstarring te ontkomen, maar steeds verliezen ze de strijd – Cragg durft ze niet te laten ademen, mogelijk uit angst dat zijn vorm, zijn metier, maar ook zijn macht over het beeld en de markt hem uit de vingers glippen.

Ironisch is het wel: zonder dat Cragg er vermoedelijk naar heeft gestreefd is hij definitief doorgedrongen tot de rangen van de Bertelli’s van deze wereld: kunstenaars die de macht willen bevestigen, in stand houden, zij het dat die macht bij Cragg niet over politiek gaat, maar over de kunstmarkt en geld. Wie Craggs prestige-expositie in het Louvre verlaat, weet ineens een ding heel zeker: een kunstenaar die niet meer twijfelt staat stil. Doodstil.

Tony Cragg: Figure out/Figure in. T/m 25 april, Louvre, Parijs. Inl: www.louvre.fr