Het recht om niet te doden

Op de foto van het geplunderde museum in Kairo zag je een hoofd op de grond liggen. Het hoofd van een duidelijk al lang niet meer levend mens. Een gemummificeerd hoofd.

Er was een poging gedaan de dood in zekere zin te overwinnen door de verschijningsvorm van de levende te behouden. Die poging was mislukt. Het dode, ingedroogde hoofd leek hooguit op de uitgehongerde, stokoud geworden versie van wat ooit het levende gezicht van een mens geweest moet zijn.

Ik keek ernaar met een blik die maar één ding wilde: achterhalen hoe dat gezicht geweest was. Er het levende gezicht inzien van iemand die zo’n drieduizend jaar geleden leefde.

Dat wil je natuurlijk niet alleen om de dood te overwinnen, maar ook om de tijd te overwinnen. De gedachte dat je in ogen zou kunnen kijken die de wereld gezien hebben zoals die toen was, is betoverend.

Ik hoorde laatst iemand praten over de 107-jarige zanger Johan Heesters die ergens opgetreden had. „Hij heeft Hitler nog gezien”, zei degene die erover praatte. „Hij heeft hem de hand geschud.” Zelfs het zo nabije verleden heeft een mythische glans gekregen – iemand die Hitler heeft aangekeken, die het vleesgeworden kwaad heeft aangeraakt.

Ik lees Het proces van Neurenberg, een boek waarin verslagen van schrijvers en journalisten die in 1945-1946 bij het naziproces aanwezig waren, verzameld zijn. De verslaggevers kijken naar de mannen in de beklaagdenbank, de mannen die tot voor kort alle macht hadden, die de oorzaak zijn geweest, in sommige gevallen, van de dood van geliefden, vrienden, familieleden. Ze hopen in die gezichten iets te kunnen zien. Maar voor de meesten is het alsof ze naar mummies kijken – de reconstructie moet door hen zelf gedaan worden, wat ze zien zijn de schaduwen van de gezichten die de bevelen gaven.

Ik zag ook een filmpje, opgenomen tijdens dat proces. De opname laat zien hoe in de rechtszaal een film werd vertoond van een concentratiekamp. Hologige slachtoffers achter prikkeldraad – beelden die wij nu bijna té goed kennen, maar die toen nieuw en oneindig schokkend waren. Het filmpje is verkeerdom in de projector gezet, het staat op zijn kop.

Dan hoor je de beklaagdenbank. Een luid honend gelach.

Veel meer dan die gezichten maakt dat geluid duidelijk hoe ze waren, toen ze nog degenen waren voor wie de mensen sidderden. Hoe ze toen lachten.

Daders zijn fascinerend als de dood. Je wilt niet dat ze er zijn, maar ze zijn er en je staart naar ze.

Maar wat zijn daders? De ‘anderen’, denken wij altijd maar. Wij zijn altijd van nature in onze gedachten de slachtoffers, met hen identificeren we ons.

Onlangs zag ik op de televisie Waltz with Bashir. Het is een getekende documentaire van de oorlogsherinneringen van Israëlische soldaten die in 1982 tijdens de burgeroorlog in Libanon hebben gevochten. De regisseur, Ari Folman, is daar zelf ook als soldaat geweest. In de film zien we de getekende versie van hem op bezoek bij getekende oud-kameraden om ze te ondervragen over hun herinneringen, die we ook getekend zien, alles in een verbluffend beklemmende eenheid van stijl en sfeer die je beter dan enigerlei ‘echte’ documentaire laat voelen hoe het was. Voor zover je dat kunt voelen.

We zien de soldaten ’s nachts op een kust landen, zonder dat ze precies weten waar ze zijn. ,,Al die jaren van training en nu deze redeloze angst,” zegt de man die zich dat herinnert. Ze schieten op alles wat beweegt. ’s Ochtends zien ze dat een doorzeefde auto een gezin bevatte.

De soldaten zijn op allerlei mogelijke manieren daders. Sommigen hebben tot op de dag van vandaag nachtmerries. Anderen hebben alles verdrongen.

Ik dacht aan een zin in het boek van Jonathan Littell, De welwillenden, verteld vanuit het perspectief van een SS’er. Een vreselijk, naar mijn smaak zelfs kitscherig boek – maar dat neemt niet weg dat er goede zinnen in staan af en toe. Hij schrijft dat iedereen het vanzelfsprekend vindt dat in een oorlog jonge mannen hun recht op leven verliezen, wat al erg genoeg is. ,,Zelden hebben ze echter naar voren gebracht dat de burger op hetzelfde moment een ander, even elementair recht verliest, dat voor hem in het licht van zijn zelfbeeld als beschaafd mens misschien nog vitaler is, namelijk het recht om niet te hoeven doden.”

Het klinkt ineens heel anders als je niet spreekt over het verbod om te doden, maar ‘het recht om niet te hoeven doden’. Daarin zit ook de truc, de manier om je naar de andere kant te krijgen, de kant van de daders. Maar het is wel waar dat soldaten, ook de onze in Afghanistan bijvoorbeeld, niet het recht hebben om niet te doden.

Hoe is het voor een land als er allerlei mannen rondlopen met beelden in hun hoofd zoals die waarmee regisseur Ari Folman en zijn vrienden voorgoed zijn opgezadeld? Beelden van het kwaad dat ze hebben aangericht of toegelaten.

Ik kijk naar het hoofd van een al zo lang geleden verdwenen mens, dat slordig op de vloer van een Egyptisch museum ligt.